ingezonden essay

Essay in het kader van de wedstrijd ‘De kracht van de academische filosofie’

De Nederlandse Onderzoeksschool Wijsbegeerte
en
Filosofieblog Bij Nader Inzien

Filosoferen is leren te leven.

Doordachte aforismen hebben de kracht van sensatie. Hun omkering wekt wellicht juist daardoor vaak een vorm van weerstand op (analoog aan talent en genie, zo vermoed ik). Natuurlijk is de uitspraak ieder nadeel heb zijn voordeel veel mooier dan ieder voordeel heb zijn nadeel en is waarover je niet kunt spreken, daarover moet je zwijgen veel sprankelender dan waarover je niet kunt zwijgen, daarover moet je juist filosoferen. Toch geef ik het voordeel van de twijfel vaak aan de omkering of variatie. Variëren op een thema is immers per definitie buiten al aangegeven lijnen kleuren. Smaken verschillen vind ik mooi, nóg mooier vind ik dus Verschillen smaken omdat het oorspronkelijke gezegde erin opgesloten zit: twee voor de prijs van één zou je kunnen zeggen (over ik ben, dus ik denk héb ik het nog niet eens!).

Tijdens mijn studie is de uitspraak Filosoferen is leren te sterven zó vaak voorbijgekomen, dat ik bij god niet meer weet van wie die afkomstig is: van Plato, of wellicht van Cicero, misschien toch van Montaigne? Ik weet het niet, ik ga het ook niet opzoeken, het is van geen belang. Maar sinds een jaar hangt er boven mijn bureau de tekst Filosoferen is leren te leven. Die is van mezelf. Een tegeltjeswijsheid als een koe (om in gebrekkig Nederlands de waarheid hiervan maar eens aan te duiden). Ik geef grif toe: de geschiedenis zal ik er niet groots en meeslepend mee ingaan en hierom zal ik later zéker niet als diep denker herinnerd worden, maar toch…
Filosoferen wordt vaak gezien als een elitaire, academische, van ieder nut en zin ontblote bezigheid. Het is hoogstens een aardig tijdverdrijf, verder is het machteloos en geheel tandeloos (hoe anders vond keizer Domitianus dit in 89 na Chr. door werkelijk álle filosofen uit Rome te verbannen!). Het huidige waarderen van de maatschappelijke relevantie kwam voor mij schrijnend tot uiting in de kwalificatie die ik van mijn vrienden hoorde toen ik hun vertelde wat ik ging studeren: ‘veredeld hobbyisme;’ en ook dat ik me vooral niet hoefde te schamen hoor, dat mijn ouders dat wel voor mij zouden doen. Filosofen koesteren bovendien ook nog eens zelf, hoog verheven in hun ivoren torens, dat vooroordeel, vaak geheimzinnig en wat meewarig glimlachend om alle niet-filosofen die toch niet bij machte zijn het Grote Geheim dat hun wél geopenbaard is, te doorgronden. Net zoals het begrip democratie populistisch is vervlakt tot ‘de meerderheid mag het zeggen,’ zien we dat de term filosofie langzaam verwaterd is tot ‘kritisch nadenken’ (welke wetenschap doet dit nou niet?) of erger nog tot ‘houden van wijsheid.’ Ik zeg ‘verwaterd’ inderdaad, want dat beklijft niet, het glipt je door de vingers en uiteindelijk verdampt het. Houden van wijsheid: tja, wie doet dat niet? Wie zegt ‘doe mij maar domheid?’ Het is als de waarschuwing om niets overhaast te doen of de opmerking op=op: beide zijn nietszeggend en hebben een diepgang van een kano en een air van quasi-diepzinnigheid.
Laten we voor een goed begrip teruggaan naar de bron, de etymologie. Het woord filosofie komt van twee Griekse woorden, namelijk philo en sophia. Het eerste deel geeft een gesteldheid aan waarin iemand zich graag bevindt gekoppeld aan het tweede deel, dus bijvoorbeeld philo-posia, drankzucht. Iemand die zich aan de philo-sophia wijdt, is dus iemand die zijn heil graag zoekt in sophia. En wat betekent sophia? In de bijbel der Grieken, het epische tweeluik van Homerus, lezen we al over een timmerman die uitblinkt in werkelijk iedere denkbare sophia, in iedere denkbare váárdigheid dus. Voor timmeren heb je namelijk sophia nodig, en elders bij hem lezen we dat je ook voor zeilen dient te beschikken over sophia, en ook voor onderwijzen heb je sophia nodig, en ja ook voor het leven zelf dien je over sophia te beschikken. Vaardigheid en kundigheid, van wanten weten, van de klok en de klepel, het naadje en de kous en de hoed en de rand: dát zijn de oorspronkelijke betekenissen van sophia, dus het weten hóe.
Vandaar: Filosoferen is leren te leven.

Mijn echtgenote onderging nu ruim een jaar geleden na vage klachten en erger wordende pijnen in haar rug een medisch onderzoek. Het verdict luidde dezelfde dag nog: de ziekte van Kahler, kanker in een vergevorderd stadium, overal in het beenmerg. De klokken luidden meteen al somberzwart en dreigend op de achtergrond; ik leerde in één enkele dag wat het woord ‘verbijsterd’ betekent. Het samen huilen werd al snel opgevolgd door het reflecteren, het waarderen van het leven en het ons opmaken voor de strijd, niet die tegen de kanker – de geest kan dan wel machtiger zijn dan menigeen denkt, een puur chemisch proces valt echt niet tot stilstand te brengen door die uitsluitend te wíllen -, maar tegen de verachting, zowel tegen het cynisme als tegen het omarmen.
            Je wordt wat je kent is ook zo’n gezegde. Maar óók Je kent wat je wordt. En dus dook ik na de eerste ontnuchtering als een ware vlucht in mijn vakgebied, stil als door een achterdeur, als een dief in de nacht, want had ik nou echt niet iets beters te doen? Dingen te doen als reizen, veel luieren, samen genieten van en vooral in andere landen? Nou…, die wensen hadden we allemaal niet. Ons grootste compliment aan het leven was dat we wilden doorleven zoals we al leefden, maar wel met een beetje acceptatie, wat meer gemoedsrust, minimaal met wat geestelijke pleisters.
Ik dook filosofische geschriften in met een gretigheid van een verliefde in zijn dromen. Ik begon bij het begin, bij de Grieken. De aristotelische deugden die van toepassing zouden moeten zijn, misten op mij helaas hun uitwerking: de mufheid van het maathouden en van het Jantje zag eens pruimen hangen stuitte me tegen de borst. Het moest sprankelender, directer ook. De theologale deugden van Aquino als geloof, hoop en liefde bleven me te ver op afstand en bruisten me ook niet genoeg. Bovendien: ik wilde niet knielen, ik wilde vooral rechtóp staan. Ik spitte verder: wat kon Wittgenstein mij vertellen, hoe concreet kon Nietzsche mij toespreken, wat had ik nou aan Kant? Het aloude Gnothi seauton, het ken uzelve, vertelde me dat we allen mensen zijn, geen goden en dus sterfelijk, maar dit wist ik al lang. Alleen Mulisch kon het zich gekscherend (neem ik aan) veroorloven te zeggen dat het feit dat ook hij sterfelijk was, eerst maar eens voor hem bewezen moest worden. Het enige wat ik wilde, was de beste medische verzorging voor mijn vrouw en gemoedsrust voor mezelf. Het eerste lag buiten mijn bereik – overgeleverd aan de medische stand als je dan bent -, het tweede wilde ik zelf vinden.
Ik begon aarzelend eerst óver de stoïcijnen te lezen; ik las dat het voor hen niet uitmaakt of je in een god gelooft, als je er maar van overtuigd bent dat in een fatsoenlijk leven de cultivering van het eigen karakter en de zorg voor de ander en de omgeving centraal staan. Tot mijn vreugde bemerkte ik dat stoïcijnen zich door-en-door democratisch niet uitspreken over onsterfelijkheid en moraal met de daarmee onlosmakelijk verbonden toegangsbewijzen voor een hemel (en over wie wel en wie niet en vooral over het waarom daarvan). Ik las het Encheiridion, daarna de aforismen van Marcus Aurelius, nog later het volledige werk van Epictetus (en wat van Leopold, Spinoza, Seneca en ook van Cicero en natúúrlijk ook van Montaigne – ‘un autre Senèque en nostre langue’ zo in zijn eigen tijd genoemd) en herlas en herlas en bemerkte dat ik langzaam genas van mijn rusteloosheid. Ik merkte dat het gedachtegoed van de stoa als een soort tranquillizer van een te verhitte sensibiliteit kon werken, niet door die af te vlakken, maar door die in een perspectief te plaatsen die een ware en ook diepe gemoedsrust tot gevolg had. Zonder me illusies te maken over de vrije wil kreeg ik het gevoel weer het stuurwiel van mijn leven in handen te hebben, en dat ik van lijder weer geleidelijk leider werd.

Mijn vrouw werd langzaam beter door zeer regelmatig bezoeken aan specialisten af te leggen, door de voorgeschreven medicatie in te nemen, een transplantatie te ondergaan en alle voorschriften in acht te nemen; ik door regelmatig de stoïcijnse filosofie in te duiken en te oefenen, veel te oefenen in deze sophia.
Het stoïcijnse gedachtegoed leerde me dat ik niet door de gebeurtenissen, maar juist door mijn opvattingen over die gebeurtenissen pathos had, leed; dat lijden altijd slechts het gevolg is van onmacht die niet wordt geaccepteerd. De lijder – of de loser – verliest immers altijd van de realiteit (B. Katie omschrijft dit ergens kernachtig als: ‘If you argue with reality, you lose, but … only always’). Hoe om te gaan met de opvatting is de kern (en de opdracht) van de stoa, niet hoe om te gaan met de werkelijkheid.

‘Hoe gaat het met u?’ vroeg de zorgzame specialist mij eens (de zorg voor de partner is inmiddels ook toevertrouwd aan de behandelende arts). ‘Kunt ú wel een beetje omgaan met de … , laat ik zeggen met de situatie?’ Ik antwoordde naar eer en geweten dat ik dat helemaal niet wilde. Op zijn verbaasde blikken volgde een korte, tamelijk ongemakkelijke stilte; ik vroeg hem of hij bij kiespijn zou willen dat de pijn zou overgaan of dat hij liever zou hebben dat hij ermee kon omgaan. Hij zweeg, niet wetende wat hij moest zeggen.
De keer erop had ik voor hem het Encheiridion meegenomen, het zakboekje van Epictetus. Hij had er nog nooit van gehoord, bekende hij grif. Ik vertelde hem dat je vroeger voor je fysieke gezondheid naar iemand zoals hij ging, voor je mentale gezondheid – lees: voor je geluk – naar een filosoof. Hij beloofde me het boekje meteen te gaan lezen en overhandigde mij terloops want schuchter een folder met data waarop gezinsleden van kankerpatiënten samen konden komen voor een workshop getiteld ‘Omgaan met kanker’. ‘Onder het genot van een kopje koffie’ stond er vrolijk bij.
Het zal vast wel een dolle boel geworden zijn daar met al dat koffiegenot, maar ik ben er niet naar toe gegaan. In de zuilengang van mijn filosofie vond ik de handvatten die mij hielpen en mij sereniteit brachten.

Juist omdat we al blij mogen zijn als we in de marge van het leven wat kunnen kleuren, is de filosofie nog steeds, en zéker in tijden van ontkerkelijking en hardnekkige opkomst van waanideeën over een maakbaarheid van het leven, meer en meer nodig, broodnodig (ik aarzel hier om van het bekende ‘brood en spelen’ nu ‘brood en filosofie’ te maken). De wijsheid om in te zien dat er zaken zijn die je niet kunt veranderen, de arète, de moed, om te veranderen wat je wél kunt veranderen, en de sophia om het verschil tussen beide te zien: die drie vormen het startpunt van het filosoferen en zijn tevens de voorwaarde voor een goed leven, namelijk eentje met gemoedsrust.
Met mijn vrouw gaat het inmiddels veel beter; zelf ga ik binnenkort op uitnodiging van haar specialist voor familieleden van patiënten uitleggen wat filosofie voor hen kan doen en wat zij voor mij gedaan heeft.
Hij heeft mij toegezegd er zelf ook bij te zijn.

Met koffie, dat dan weer wel.

 

 

 

Reacties zijn gesloten.