Gerecenseerd

BMGN – Low Countries Historical Review | Volume 128-4 (2013) | review 86
Jan Verweij, Kanttekening van een Horrearius. De rol van het Magazyn voor de critische Wijsbegeerte en de Geschiedenis van Dezelve (1798-1803) in de Kantreceptie in Nederland (Dissertatie Erasmus Universiteit Rotterdam 2012; Nijmegen: Wolf Legal Publishers, 2012, 369 pp., ISBN 978 90 5850 757 0).

Een nieuwe studie over het vroege Nederlandse kantianisme, waarin actuele opvattingen over de Nederlandse Verlichting zijn verwerkt, is sinds langere tijd wenselijk, aangezien dankzij voortschrijdende inzichten sinds de negentiende en twintigste eeuw dit tijdvak inmiddels is opgewaardeerd tot een periode waarin het moderne Nederland is ontstaan. Verweij’s studie, die uit zes hoofdstukken bestaat, vult deze lacune. Hoofdstuk één gaat over het kantianisme van voor Paulus van Hemert, hoofdstuk twee behandelt de biografie en het werk van Van Hemert, hoofdstuk drie gaat nader in op tijdschriften en andere werken die op dezelfde lijn zitten als het Magazyn voor de critische Wijsgeerte, in hoofdstuk vier worden de reacties door tegenstanders van het kantianisme besproken, hoofdstuk vijf beschrijft het verloop van het kantianisme ten tijde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en in het laatste hoofdstuk wordt nader op de motieven van Van Hemert en Johannes Kinker ingegaan. Het werk bevat een aantal overzichtelijke bijlagen, onder meer een overzicht van de lezingen die door kantianen in Felix Meritus tussen 1791 en 1812 werden verzorgd en een lijst van contribuanten aan het Magazyn. De auteur heeft bovendien een uitgebreide bibliografie van de werken van Van Hemert toegevoegd.
Een belangrijke verdienste van Verweij is dat hij een grote hoeveelheid nieuw bronnenmateriaal in zijn studie verwerkt, vele publicaties waarin Kants filosofie een rol speelt analyseert, als mede het publieke debat hierover nauwgezet reconstrueert. De auteur beschouwt het Nederlandse kantianisme niet als een strikt wijsgerig stelsel, maar als een culturele beweging (Verweij, Kant-tekening, 6). De onderzoeksvragen die hij probeert te beantwoorden gaan over de rol van Van Hemert in het Nederlandse kantianisme, de invloed van dat kantianisme qua omvang en inhoud, en het centrale thema hiervan (7). Volgens Verweij is de ‘popularisatie van dit kantianisme een logische voortzetting van de Verlichting in Nederland’, die ondanks een felle tegenstand wordt aanvaard (7). Een interessante observatie van Verweij is dat het Van Hemert en Kinker niet om Kants filosofie als zodanig ging en dat zich achter het streven om deze nieuwe leer te verbreiden andere motieven verbergen (299). Beiden hadden overeenkomstig, dat ze grote nadruk op het gebruik van de rede legden en een specifieke maatschappelijke agenda hadden: de toelating van vrouwen en Joden in genootschappen (170-171). Daarna scheidden echter hun wegen: volgens Verweij was voor Van Hemert het kantianisme uiteindelijk slechts een vehikel om het remonstrantisme te promoten, de breuk tussen de remonstranten en gereformeerden ongedaan te maken, en de eenheid in de christelijke kerk te bevorderen. Kinker daarentegen ging het in de eerste plaats om de emancipatie van de mens en de bevordering van een algemene ethiek onder de trefwoorden ‘kosmopolitisme’ en ‘wereldburgerschap’ (dit is dus klaarblijkelijk niet kantiaans) (193-195, 316-318). Beiden gebruikten het kantianisme als middel en niet als doel, zo concludeert Verweij. Ondanks zijn intentie een nieuwe, positievere visie te bieden, schetst Verweij, naarmate zijn dissertatie vordert, het beeld van een beweging die uiteindelijk mislukt en sluit daarmee naadloos aan bij voorgangers als Ferdinand Sassen en Michel Wielema. Van Hemert en consorten worden volgens Verweji naar verloop van tijd steeds verbetener, vervreemden daarmee het Nederlandse publiek en helpen zo hun project om zeep. Het blijft daarom onduidelijk welke zienswijze Verweij op het vroege Nederlandse Kantianisme nu precies heeft.
Er is bij de studie een belangrijke kanttekening te plaatsen: hoewel in André Hanous proefschrift Sluiers van Isis, het esoterische karakter van Johannes Kinkers kantianisme nadrukkelijk aanwezig is, beweert Verweij dat ‘het esoterische’ zowel Kinker als Van Hemert ‘niet trok’ (200). Het esoterische karakter was volgens mij echter een specificum van deze eerste Nederlandse Kantreceptie. Het veelvuldige gebruikte beeld van de sluier die waarheid en licht verbergt (de ‘sluiers van Isis’) is afkomstig uit het Duitse illuminisme, een beweging die zich in de tweede helft van de achttiende eeuw in de ‘linker vleugel’ van de vrijmetselarij nestelde, en die in de geschiedenis van de esoterie moet worden verankerd. Kinkers God- en wereldbeeld was esoterisch van aard: volgens hem waren God en Natuur één. Verweij noemt dit terecht pantheistisch-spinozistisch (Verweij, Kant-tekening, 197, 198, 212-213), maar zonder hier nader op in te gaan. Van de arts Johann Rudolph Deiman kan overigens hetzelfde worden gezegd, zo blijkt uit zijn natuurfilosofisch essay over de ‘grondkrachten’ in het Magazyn en uit zijn De geest en strekking der critische wijsgeerte (1805). De ware natuur van het universum wordt volgens Deiman door de ontdekking van haar grondbeginselen blootgelegd en heeft haar analogie in de rede zelf. Hij gelooft dat de natuur bezield wordt door een geest der eenheid. Beide denkers waren in filosofisch opzicht monisten; stof en geest zijn bij hen van één en dezelfde aard. Bij Kinkers en Deimans natuur- en wereldbeeld kan men zich afvragen: er staat weliswaar Kant op, maar zit er ook alleen Kant in? En om welke Kant gaat het dan? Dat roept twee andere vragen op: in hoeverre fungeert Kant bij deze auteurs als als lichtend baken, waarachter andere filosofische receptielijnen schuilgaan en welke zijn dit? Wat Van Hemert betreft is het van bijzonder belang om op zijn interesse in arianische en unitarische stromingen in het christendom te wijzen. Dat Van Hemert in 1784 een vertaling van Charles Chauncy’s The Mysterie hid from the Ages and Generations en in 1788 van J. Starcks Geschichte des Arianismus publiceert, lijkt mij niet zo onbetekenend als Verweij doet voorkomen (Verweij, Kant-tekening, 46). De Amerikaanse theoloog Chauncy (1705-1787) wordt als een voorloper van het unitarisme beschouwd. Van Hemerts belangstelling voor dit werk verraadt enerzijds een interesse in esoterische denkvormen en anderzijds in de ontkenning van de goddelijkheid van Jesus Christus. Ook bij hem valt er een filosofisch monisme waar te nemen, waarbij de vermenging van bovennatuurlijke en aardse stof wordt ontkend en het bestaan van wonderen uitgesloten. Opmerkelijk genoeg lijken de vroege kantianen te passen in Jonathan Israels concept van een radicale Verlichting, waarin het idee dat er slechts één substantie bestaat, wordt aangehangen en een gematigde Verlichting, waarin de leer van het bestaan van twee substanties, wordt gevolgd. De radicale Verlichting kent volgens Israel twee uitingsvormen: een atheïstische en een christelijk-unitarische. Dat roept vragen op naar de verhouding van de vroege en de late Verlichting en naar de dynamiek van de Nederlandse Verlichting in het algemeen. Met de studie van Verweij is de vroege Nederlandse Kantreceptie weliswaar grotendeels in kaart gebracht, maar nu deze arbeid is verricht, is het tijd om nieuwe, door hem niet gestelde vragen aan het onderzoeksmateriaal te richten.

Viktoria Franke,
Martin-Luther-Universität Halle-Wittenberg