artikel MESO

Artikel geschreven voor het onderwijsblad MESO:

Onderwijs en Vernieuwing: twee overzijden die elkaar schijnen te vermijden
Jan Verweij, docent filosofie, voormalig lid onderwijs2032

De geoefende poëzie-lezer herkent in de titel enige regels van het gedicht van Martinus Nijhoff.
In onderstaande betoogt Jan Verweij dat er een nieuwe brug nodig is om onderwijs en vernieuwing weer buren te laten worden.

Stelt u zich eens voor: een tijdreiziger uit de 19e eeuw, zeg 1850, landt met een uiterst ingenieus apparaat in onze tijd in een willekeurige stad. Hoe futuristisch zijn tijdmachine voor zijn tijd ook is, hij zal ongetwijfeld zijn ogen uitkijken naar alle vernieuwingen van de laatste decennia, sterker nog: hij zal totaal, maar dan ook totaal ontheemd om zich heen blijven staren, verstard bij het zien van al die onbegrijpelijke innovaties. Waren de trage en geleidelijke ontwikkelingen in de eeuwen vóór zijn tijd nog redelijk bij te houden en te overzien, sindsdien heeft de wereld een complete metamorfose ondergaan. Enigszins tot rust en bedaren gekomen zal hij wat gaan wandelen, zich verbazen en verwonderen tot er opeens, ja opeens een gulle glimlach op zijn gezicht zal verschijnen, want één maatschappelijk instituut dat hij opmerkt, herkent hij onmiddellijk: de school!

Zestig jaar geleden ging ik voor het eerst naar school, ik was vier jaar oud. De kleuterschool heette dat toen nog. Juffrouw Roos was mijn eerste liefde. We zaten in drie rijen, de klas kende 32 leerlingen; jaren later kregen we 15 vakken, hadden we drie proefwerkweken per jaar, moest ik één keer een heel jaar overdoen omdat ik twee of drie vakken niet voldoende beheerste, en werd het hoogtepunt van het jaar de buitenlandse reis.
Ik ben (toch) het onderwijs ingegaan en ik geef nog steeds enthousiast les aan …. 32 leerlingen in 3 rijen, die 15 (dezelfde) vakken krijgen, die nog steeds een heel jaar moeten overdoen als ze …etc etc.

Die twee gegevens zijn op zich al frappant, nóg frappanter is het dat collega’s in het veld klagen over de vele en de snelle veranderingen in het onderwijs. ‘Laat het onderwijs eens met rust’ is de tekst op menige grafsteen van álle vruchteloze pogingen tot onderwijsvernieuwing. Met vele uitroeptekens erachter. En in kapitalen.
Het onderwijs dat zich – in mijn ogen – niet zó zou moeten inrichten dat het leerlingen opleidt om naadloos de maatschappij in te schuiven, maar juist leerlingen dient op te leiden om een nieuwe maatschappij te creëren, gedraagt zich hopeloos conservatief. Heine zei het naar verluidt al: als de wereld vergaat, vlucht dan naar Nederland, want daar gebeurt alles 50 jaar later. Ik ben benieuwd hoeveel tijd hij in zijn advies zou geven als hij naar het onderwijs had gekeken.

Bij de start van onderwijs2032 in 2015 voelden we ons gesterkt door talloze ontwikkelingen die ons het momentum aangaven: de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid adviseerde indertijd al met klem dat er snel aandacht voor vaardigheden moest komen, uitkomsten van discussies naar aanleiding van Het Alternatief pleitten unaniem voor meer verdieping met meer horizontale integratie, de SLO ageerde fel tegen methodeslavernij en de Onderwijsraad hamerde op een radicale curriculumvernieuwing. Het momentum was daar, aan de horizon gloorde de bereidheid een fundamentele discussie aan te gaan. Het jaartal 2032 namen we niet alleen veiligheidshalve op als stip aan de horizon, leerlingen die in het jaar van start van onderwijs2032 geboren werden, gaan immers dán hun eindexamen doen.
We gingen voortvarend aan de slag. We spraken met meer dan tienduizend leraren (we kennen immers in Nederland 16 miljoen bondscoaches, we gingen er vanuit dat er net zoveel onderwijsdeskundigen rondlopen), we liepen deuren van raden, organisaties en overkoepelende instituten plat; we studeerden, lieten ons leiden door deskundigen, betrokken leerlingen erbij door adviesvangers op te leiden, we publiceerden regelmatig over de voortgang en we kwamen uiteindelijk tot een afrondend advies. Ja, de vuilspuiterij die twitter heet, liep af en toe roodgloeiend aan, de naam van de voorzitter (Paul Schnabel) werd verbasterd totdat de ó zo ludieke naam Schnabeltjeskrant het leven zag en de BON zaagde onvermoeibaar door aan alle stoel- en tafelpoten. Maar geen nood: op vleugels van het momentum weet u nog wel?

We kwamen zo tot een advies, ik herhaal de punten hier maar niet uitgebreid – ze zijn genoegzaam bekend omdat ze zo sober zijn (onder andere aandacht voor méér persoonsvorming naast de kwalificatie en de socialisatie, een vaste basis genaamd kerncurriculum met Nederlands, Engels, rekenvaardigheid (inclusief wiskunde), digitale geletterdheid en burgerschap als verplichte onderdelen,  drie leerdomeinen (Mens & Maatschappij, Natuur & Technologie, Taal & Cultuur), een grotere rol voor Engels in het basisonderwijs en aandacht voor zowel meetbare als ‘merkbare’ leeropbrengsten)-, maar ik licht er ééntje uit omdat die zo exemplarisch is voor wat er verder gebeurde. We adviseerden de vakken Frans en Duits af te schaffen als verplichte vakken. Let wel: als verplichte vakken (geen gymnasium zal het (terecht) in zijn hoofd halen de vakken te schrappen, geen vervolgonderwijs in het oosten van het land zal Duits verwijderen, maar waarom toch voor iedereen – ook voor allochtonen voor wie die vakken onoverkomelijke hindernissen zijn – deze vakken nog verplicht stellen?).
De vakgroep Duits was het met ons eens. Wat betreft Frans.
De vakgroep Frans was het met ons eens. Wat betreft Duits.
Naarmate we verder en verder kwamen en voorzichtige conclusies presenteerden, schoven de achterste rijen leraren die met de armen over elkaar mopperden dat hun nog niets gevraagd was, langzaam op naar voren. Tweehonderdvijftigduizend werknemers in het onderwijs: we kwamen er achter dat we ze nooit zouden kunnen bereiken. Lubach koos het advies uit als schietschijf op de zondagavond en het momentum begon langzaam te verschuiven naar de einder; een journalist in De Correspondent kwam zelfs met de complottheorie dat alles allang bekokstoofd was en onderwijs2032 slechts een smoesje was: architect (lees SLO en het ministerie) en metselaar zouden één zijn! Elvis schijnt ook nog ergens te leven.
Wat was er toch gebeurd?

In mijn lessen filosofie leg ik mijn leerlingen het prisoner’s dilemma uit: het verschijnsel dat niemand meteen kiest voor het objectieve goede, maar eerder voor het subjectieve betere. Vele, ja bijna alle maatschappelijke problemen zijn het gevolg van deze houding, van het klimaatprobleem en de overbevissing van de zeeën tot onze fileproblemen. Meestal leg ik het dilemma uit met behulp van de bezette ligstoelen in de resorts: ’s ochtends om half 9 bestormen vaders het zwembad om voor de hele dag 4, 5 of 6 stoelen te claimen (want anderen doen dat immers ook!).
Ik heb sinds ik aan onderwijs2032 meewerkte een nieuw voorbeeld: het onderwijs.

Zolang democratisch gevraagd wordt aan leraren hoe en wat, bewaakt ieder het eigen territorium; zolang eigenaarschap over de lessen gezien wordt als eigenaarschap over het onderwijs, zal er niets, helemaal niets veranderen.
Schaar ik me met deze opmerking bij de groep cynici die helaas ook in het onderwijs (spaarzaam) te vinden is? Welnee, zeker niet.

Als vakdidacticus vraag ik mijn studenten te dromen onder het motto van Loesje ‘bedenk het eens wél zo gek’. Geen student komt op een onderwijs zoals we dat nu kennen. Als leraar vraag ik collega’s wel eens te dromen en te wensen: niemand komt uit op de huidige situatie, zelfs in de verste verte niet! Overeenstemming is er wel, zolang de ander (lees: een ander vak) er niet beter van wordt.

Deze patstelling dient doorbroken te worden. Nu de onderwijscoöperatie is begraven (ik weet: juist deze organisatie trok het plan noodgedwongen terug), is Alexander Rinnooy Kan druk bezig een nieuwe opzet te maken zodat de beroepsgroep eindelijk weer een vertegenwoordiging heeft die aanspreekbaar is (en ook iets zinnigs kan en mag zeggen over kwaliteitsbewaking) en dán…., ja dan zal blijken dat onderwijs2032 rimpels heeft veroorzaakt en dat curriculum.nu een golfbeweging in gang zet: 150 inspirerende leraren van 84 scholen zijn immers bezig met een concrete uitwerking van het curriculum! Maar eerst is een vertegenwoordiging met gezag nodig, een platform van de beroepsgroep van, voor en door ons allen (ja, die formulering van onderwijscoöperatie blijf ik toch maar even gebruiken).

De onmacht van ons docenten iets te doen aan het lerarentekort – om maar eens een ander probleem bij de horens te vatten (welke beroepsgroep staat toe dat er soms wel 30% van het werk verricht wordt door onbevoegden?) – is een teken aan de wand: wij hebben geen zorg voor het onderwijs, wij hebben allemaal als gevangene zorg, véél te veel zorg en aandacht voor ons eigen vak, we willen het betere zonder het goede na te streven: zolang wij dat niet inzien, kan de tijdreiziger van 2018 rustig nog een kopje koffie gaan drinken: maakt niet uit wanneer hij gaat (en komt).

Tot die tijd geef ik vrolijk en vooral enthousiast les aan tweeëndertig leerlingen, in drie rijen, met drie proefwerken, krijgen ze 15 losse vakken en moeten ze als ze twee of drie vakken …… nee, dat is toch weer een te cynische afsluiting, daarvoor ben ik te blij ooit het onderwijs in te zijn gegaan, daarvoor houd ik veel te veel van het onderwijs, zelfs méér dan van mijn eigen vak (tenminste, dat probeer ik).

 

PRIMA ONDERWIJS

Voor het magazine Prima Onderwijs het volgende geschreven:

Jan Verweij is docent Humaniora – Filosofie

‘Mijn voornemen: meer pluimen en minder rode pennen!
Na 40 jaar onderwijs neem ik me eindelijk voor af te stappen van al die malle toetsen. Kijk naar een gemiddelde 3 vwo leerling die 15 (!) vakken heeft, van 15 docenten die allemaal vinden dat ze aan het einde van het jaar minstens 10x getoetst moeten hebben. Bereken dan eens hoeveel dagen zij les hebben (37 weken van 5 dagen) en je ziet meteen dat het bijna iedere dag prijs is.
Nu het eindexamen nog….weg ermee! In geen enkele opleiding is er een centrale afsluiting die weken en weken aan lestijd kost, die gebaseerd is op wantrouwen of op een vermoeden van onkunde. Inderdaad: weg ermee. The tail is wagging the dog – een goede vertaling in de vorm van een gezegde ken ik niet – maar dat het eindexamen de inhoud van de inhoud stuurt in plaats van andersom, lijkt me wel duidelijk. En als er dan toch wordt getoetst? Dan ben ik voor pluimen en tégen de rode pennen. Hier in de personeelskamer zie ik nog vaak genoeg collega’s strepen met dat agressieve rood.
ER MOET STRENGER BELOOND WORDEN!
Ik ben het met Loesje eens.’

symposium 22/11/18

Professioneel statuut
Het beroep van leraar is sinds 1 augustus 2017 door de Wet beroep leraar wettelijk beschermd. Deze wet beoogt de positie van de leraar in de school en de kwaliteit van het lerarenberoep te versterken. De wet is van toepassing op het basisonderwijs, voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. 
Een belangrijk onderdeel van de wet is het professioneel statuut dat door de leraren en het schoolbestuur samen moet worden opgesteld. In het professioneel statuut worden afspraken gemaakt over het respecteren van de professionele ruimte van de leraar. Vanaf 1 augustus 2018 dienen schoolbesturen aan te tonen dat er een professioneel statuut is opgesteld met afspraken over de vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische zeggenschap van de leraren. Dit zal ook gecontroleerd worden door de Inspectie. 
Deze professionele ruimte moet wel passen binnen het onderwijskundig beleid van de school. Hoe daarmee om te gaan? Hoeveel of hoe weinig zeggenschap is er voor de leraar? Wat is de toegevoegde waarde van het professioneel statuut? En wat als leraren en school er samen niet uitkomen?
 
Ruim baan voor leraren
Hoe kunnen aanpassingen in de opleidings- en arbeidsstructuur van leraren bijdragen aan voldoende en goede leraren? In antwoord op deze vraag van de Tweede Kamer kwam de Onderwijsraad op 7 november 2018 met het advies Ruim baan voor leraren. Een nieuw perspectief op het leraarschap.
De raad pleit voor een nieuwe kijk op het leraarschap, die leidt tot een ingrijpende herziening van de opleidings- en arbeidsstructuur. De raad stelt een model voor waarin leraren zich, bovenop een brede basisbevoegdheid, kunnen bekwamen in bepaalde vakken en specialisaties voor diverse onderwijssectoren. Dat zou tijdens de lerarenopleiding én later tijdens de loopbaan kunnen gebeuren. Meer mogelijkheden tot mobiliteit zorgen volgens de raad voor een aantrekkelijker beroep en bieden daarnaast meer mogelijkheden om lerarentekorten beter aan te pakken.
 
Kennissessie
Op donderdag 22 november 2018 organiseren wij een kennissessie om samen met u en enkele inspirerende sprekers van gedachten te wisselen over het professioneel statuut. De sprekers laten hun licht schijnen op het professioneel statuut, bekeken vanuit de bestuurder/schoolleider, de leraar en de onderwijsjurist.
 
 
Locatie
Onderwijshotel De Rooi Pannen
Kaakstraat 1

5623 AD Eindhoven

Programma
13.30 uur Inloop 
13.50 uur Welkomstwoord 
Nicole Niessen 
14.00 uur 1
e spreker Dave Ensberg 
14:25 uur 2
e spreker Jan Verweij 
14.50 uur 3e spreker Rob van den Nouweland

15:15 uur Pauze 

15:30 uur Gedachtenwisseling met Paul Zoontjens

16:10 uur Afsluiting door Nicole Niessen 

16:15 uur Einde met netwerkborrel tot 17:00 uur
 

ingezonden essay

Essay in het kader van de wedstrijd ‘De kracht van de academische filosofie’

De Nederlandse Onderzoeksschool Wijsbegeerte
en
Filosofieblog Bij Nader Inzien

Filosoferen is leren te leven.

Doordachte aforismen hebben de kracht van sensatie. Hun omkering wekt wellicht juist daardoor vaak een vorm van weerstand op (analoog aan talent en genie, zo vermoed ik). Natuurlijk is de uitspraak ieder nadeel heb zijn voordeel veel mooier dan ieder voordeel heb zijn nadeel en is waarover je niet kunt spreken, daarover moet je zwijgen veel sprankelender dan waarover je niet kunt zwijgen, daarover moet je juist filosoferen. Toch geef ik het voordeel van de twijfel vaak aan de omkering of variatie. Variëren op een thema is immers per definitie buiten al aangegeven lijnen kleuren. Smaken verschillen vind ik mooi, nóg mooier vind ik dus Verschillen smaken omdat het oorspronkelijke gezegde erin opgesloten zit: twee voor de prijs van één zou je kunnen zeggen (over ik ben, dus ik denk héb ik het nog niet eens!).

Tijdens mijn studie is de uitspraak Filosoferen is leren te sterven zó vaak voorbijgekomen, dat ik bij god niet meer weet van wie die afkomstig is: van Plato, of wellicht van Cicero, misschien toch van Montaigne? Ik weet het niet, ik ga het ook niet opzoeken, het is van geen belang. Maar sinds een jaar hangt er boven mijn bureau de tekst Filosoferen is leren te leven. Die is van mezelf. Een tegeltjeswijsheid als een koe (om in gebrekkig Nederlands de waarheid hiervan maar eens aan te duiden). Ik geef grif toe: de geschiedenis zal ik er niet groots en meeslepend mee ingaan en hierom zal ik later zéker niet als diep denker herinnerd worden, maar toch…
Filosoferen wordt vaak gezien als een elitaire, academische, van ieder nut en zin ontblote bezigheid. Het is hoogstens een aardig tijdverdrijf, verder is het machteloos en geheel tandeloos (hoe anders vond keizer Domitianus dit in 89 na Chr. door werkelijk álle filosofen uit Rome te verbannen!). Het huidige waarderen van de maatschappelijke relevantie kwam voor mij schrijnend tot uiting in de kwalificatie die ik van mijn vrienden hoorde toen ik hun vertelde wat ik ging studeren: ‘veredeld hobbyisme;’ en ook dat ik me vooral niet hoefde te schamen hoor, dat mijn ouders dat wel voor mij zouden doen. Filosofen koesteren bovendien ook nog eens zelf, hoog verheven in hun ivoren torens, dat vooroordeel, vaak geheimzinnig en wat meewarig glimlachend om alle niet-filosofen die toch niet bij machte zijn het Grote Geheim dat hun wél geopenbaard is, te doorgronden. Net zoals het begrip democratie populistisch is vervlakt tot ‘de meerderheid mag het zeggen,’ zien we dat de term filosofie langzaam verwaterd is tot ‘kritisch nadenken’ (welke wetenschap doet dit nou niet?) of erger nog tot ‘houden van wijsheid.’ Ik zeg ‘verwaterd’ inderdaad, want dat beklijft niet, het glipt je door de vingers en uiteindelijk verdampt het. Houden van wijsheid: tja, wie doet dat niet? Wie zegt ‘doe mij maar domheid?’ Het is als de waarschuwing om niets overhaast te doen of de opmerking op=op: beide zijn nietszeggend en hebben een diepgang van een kano en een air van quasi-diepzinnigheid.
Laten we voor een goed begrip teruggaan naar de bron, de etymologie. Het woord filosofie komt van twee Griekse woorden, namelijk philo en sophia. Het eerste deel geeft een gesteldheid aan waarin iemand zich graag bevindt gekoppeld aan het tweede deel, dus bijvoorbeeld philo-posia, drankzucht. Iemand die zich aan de philo-sophia wijdt, is dus iemand die zijn heil graag zoekt in sophia. En wat betekent sophia? In de bijbel der Grieken, het epische tweeluik van Homerus, lezen we al over een timmerman die uitblinkt in werkelijk iedere denkbare sophia, in iedere denkbare váárdigheid dus. Voor timmeren heb je namelijk sophia nodig, en elders bij hem lezen we dat je ook voor zeilen dient te beschikken over sophia, en ook voor onderwijzen heb je sophia nodig, en ja ook voor het leven zelf dien je over sophia te beschikken. Vaardigheid en kundigheid, van wanten weten, van de klok en de klepel, het naadje en de kous en de hoed en de rand: dát zijn de oorspronkelijke betekenissen van sophia, dus het weten hóe.
Vandaar: Filosoferen is leren te leven.

Mijn echtgenote onderging nu ruim een jaar geleden na vage klachten en erger wordende pijnen in haar rug een medisch onderzoek. Het verdict luidde dezelfde dag nog: de ziekte van Kahler, kanker in een vergevorderd stadium, overal in het beenmerg. De klokken luidden meteen al somberzwart en dreigend op de achtergrond; ik leerde in één enkele dag wat het woord ‘verbijsterd’ betekent. Het samen huilen werd al snel opgevolgd door het reflecteren, het waarderen van het leven en het ons opmaken voor de strijd, niet die tegen de kanker – de geest kan dan wel machtiger zijn dan menigeen denkt, een puur chemisch proces valt echt niet tot stilstand te brengen door die uitsluitend te wíllen -, maar tegen de verachting, zowel tegen het cynisme als tegen het omarmen.
            Je wordt wat je kent is ook zo’n gezegde. Maar óók Je kent wat je wordt. En dus dook ik na de eerste ontnuchtering als een ware vlucht in mijn vakgebied, stil als door een achterdeur, als een dief in de nacht, want had ik nou echt niet iets beters te doen? Dingen te doen als reizen, veel luieren, samen genieten van en vooral in andere landen? Nou…, die wensen hadden we allemaal niet. Ons grootste compliment aan het leven was dat we wilden doorleven zoals we al leefden, maar wel met een beetje acceptatie, wat meer gemoedsrust, minimaal met wat geestelijke pleisters.
Ik dook filosofische geschriften in met een gretigheid van een verliefde in zijn dromen. Ik begon bij het begin, bij de Grieken. De aristotelische deugden die van toepassing zouden moeten zijn, misten op mij helaas hun uitwerking: de mufheid van het maathouden en van het Jantje zag eens pruimen hangen stuitte me tegen de borst. Het moest sprankelender, directer ook. De theologale deugden van Aquino als geloof, hoop en liefde bleven me te ver op afstand en bruisten me ook niet genoeg. Bovendien: ik wilde niet knielen, ik wilde vooral rechtóp staan. Ik spitte verder: wat kon Wittgenstein mij vertellen, hoe concreet kon Nietzsche mij toespreken, wat had ik nou aan Kant? Het aloude Gnothi seauton, het ken uzelve, vertelde me dat we allen mensen zijn, geen goden en dus sterfelijk, maar dit wist ik al lang. Alleen Mulisch kon het zich gekscherend (neem ik aan) veroorloven te zeggen dat het feit dat ook hij sterfelijk was, eerst maar eens voor hem bewezen moest worden. Het enige wat ik wilde, was de beste medische verzorging voor mijn vrouw en gemoedsrust voor mezelf. Het eerste lag buiten mijn bereik – overgeleverd aan de medische stand als je dan bent -, het tweede wilde ik zelf vinden.
Ik begon aarzelend eerst óver de stoïcijnen te lezen; ik las dat het voor hen niet uitmaakt of je in een god gelooft, als je er maar van overtuigd bent dat in een fatsoenlijk leven de cultivering van het eigen karakter en de zorg voor de ander en de omgeving centraal staan. Tot mijn vreugde bemerkte ik dat stoïcijnen zich door-en-door democratisch niet uitspreken over onsterfelijkheid en moraal met de daarmee onlosmakelijk verbonden toegangsbewijzen voor een hemel (en over wie wel en wie niet en vooral over het waarom daarvan). Ik las het Encheiridion, daarna de aforismen van Marcus Aurelius, nog later het volledige werk van Epictetus (en wat van Leopold, Spinoza, Seneca en ook van Cicero en natúúrlijk ook van Montaigne – ‘un autre Senèque en nostre langue’ zo in zijn eigen tijd genoemd) en herlas en herlas en bemerkte dat ik langzaam genas van mijn rusteloosheid. Ik merkte dat het gedachtegoed van de stoa als een soort tranquillizer van een te verhitte sensibiliteit kon werken, niet door die af te vlakken, maar door die in een perspectief te plaatsen die een ware en ook diepe gemoedsrust tot gevolg had. Zonder me illusies te maken over de vrije wil kreeg ik het gevoel weer het stuurwiel van mijn leven in handen te hebben, en dat ik van lijder weer geleidelijk leider werd.

Mijn vrouw werd langzaam beter door zeer regelmatig bezoeken aan specialisten af te leggen, door de voorgeschreven medicatie in te nemen, een transplantatie te ondergaan en alle voorschriften in acht te nemen; ik door regelmatig de stoïcijnse filosofie in te duiken en te oefenen, veel te oefenen in deze sophia.
Het stoïcijnse gedachtegoed leerde me dat ik niet door de gebeurtenissen, maar juist door mijn opvattingen over die gebeurtenissen pathos had, leed; dat lijden altijd slechts het gevolg is van onmacht die niet wordt geaccepteerd. De lijder – of de loser – verliest immers altijd van de realiteit (B. Katie omschrijft dit ergens kernachtig als: ‘If you argue with reality, you lose, but … only always’). Hoe om te gaan met de opvatting is de kern (en de opdracht) van de stoa, niet hoe om te gaan met de werkelijkheid.

‘Hoe gaat het met u?’ vroeg de zorgzame specialist mij eens (de zorg voor de partner is inmiddels ook toevertrouwd aan de behandelende arts). ‘Kunt ú wel een beetje omgaan met de … , laat ik zeggen met de situatie?’ Ik antwoordde naar eer en geweten dat ik dat helemaal niet wilde. Op zijn verbaasde blikken volgde een korte, tamelijk ongemakkelijke stilte; ik vroeg hem of hij bij kiespijn zou willen dat de pijn zou overgaan of dat hij liever zou hebben dat hij ermee kon omgaan. Hij zweeg, niet wetende wat hij moest zeggen.
De keer erop had ik voor hem het Encheiridion meegenomen, het zakboekje van Epictetus. Hij had er nog nooit van gehoord, bekende hij grif. Ik vertelde hem dat je vroeger voor je fysieke gezondheid naar iemand zoals hij ging, voor je mentale gezondheid – lees: voor je geluk – naar een filosoof. Hij beloofde me het boekje meteen te gaan lezen en overhandigde mij terloops want schuchter een folder met data waarop gezinsleden van kankerpatiënten samen konden komen voor een workshop getiteld ‘Omgaan met kanker’. ‘Onder het genot van een kopje koffie’ stond er vrolijk bij.
Het zal vast wel een dolle boel geworden zijn daar met al dat koffiegenot, maar ik ben er niet naar toe gegaan. In de zuilengang van mijn filosofie vond ik de handvatten die mij hielpen en mij sereniteit brachten.

Juist omdat we al blij mogen zijn als we in de marge van het leven wat kunnen kleuren, is de filosofie nog steeds, en zéker in tijden van ontkerkelijking en hardnekkige opkomst van waanideeën over een maakbaarheid van het leven, meer en meer nodig, broodnodig (ik aarzel hier om van het bekende ‘brood en spelen’ nu ‘brood en filosofie’ te maken). De wijsheid om in te zien dat er zaken zijn die je niet kunt veranderen, de arète, de moed, om te veranderen wat je wél kunt veranderen, en de sophia om het verschil tussen beide te zien: die drie vormen het startpunt van het filosoferen en zijn tevens de voorwaarde voor een goed leven, namelijk eentje met gemoedsrust.
Met mijn vrouw gaat het inmiddels veel beter; zelf ga ik binnenkort op uitnodiging van haar specialist voor familieleden van patiënten uitleggen wat filosofie voor hen kan doen en wat zij voor mij gedaan heeft.
Hij heeft mij toegezegd er zelf ook bij te zijn.

Met koffie, dat dan weer wel.

 

 

 

Nietzsche

Vandaag gelezen, spreuk nr 5 uit Afgodenschemering (Gotterdammerung):

5. Ik wil eens en voor altijd veen dingen niet weten –
Wijsheid stelt ook grenzen aan kennis.

vond nog een oude zure ingezonden brief

Open sollicitatie

Dit jaar geef ik voor het 32e jaar les op een middelbare school. Alles bij elkaar opgeteld heb ik meer dan 50 jaar ervaring met ons mooie onderwijs; kleuterschool, lagere school, middelbare school, universiteit, later docent op middelbare school en universiteit. Méér dan een halve eeuw ervaringsdeskundigheid dus. Wat ik vooral geleerd heb: het is nú niet goed, maar morgen, ja morgen wordt het al-le-maal beter.!!! Als we maar naar onze (nieuwste) minister luisteren! Terwijl iedereen onderwijsinstituten als Eton en bijvoorbeeld universiteiten als Oxford om hun kwaliteit prijst (waarom zou dat toch zijn?), vinden wij dat onderwijs slechts gebaat is bij grondige veranderingen. Jaarlijks. Iedere, ja werkelijk iedere verandering is op voorhand een verbetering in onderwijsland.
Zo ging het, zo zal het helaas altijd gaan.
Onze minister heeft weer eens zitten denken. En jawel hoor: er is weer een ei van Columbus gevonden. Jaren geleden heeft het ministerie al bedacht dat 12 weken vakantie in het onderwijs een moeilijke rekensom oplevert en heeft dus een volledige baan in het onderwijs bepaald op 1660 uur. Te vullen in 40 weken. Pas nu is men gaan rekenen: 1660 gedeeld door 40 is toch wel wat veel. Weet je wat? We maken van die 40 weken er gewoon 41, dan hebben we een acceptabele uitkomst: 1660 gedeeld door 41 is immers minder! Ja, wat een goed idee: zo werken de leraren één week langer, dus globaal minder hard, dus daar zullen ze allemaal wát blij mee zijn en hebben we weer wat nieuws. Wat slim van deze minister!

Volgende week gaan duizenden leraren staken. Ze zijn het zat. Ze zijn ideeën met een diepgang van een kano zat en ze schamen zich allemaal.

Omdat ik zelf óók niet zo heel slim ben, wil ik ook minister worden. Ik heb voor werkelijk alles een oplossing, ik kijk namelijk óók alleen maar naar de uitkomst op korte termijn. Zo ga ik als minister van verkeer regelen dat we voortaan allemaal niet om 8 uur maar om 5 uur ’s ochtends gaan werken, dan zijn er geen files meer om 8 uur. Opgelost! Veiligheid? Laten we voortaan ook altijd iemand met een bom meesturen in een vliegtuig; de kans dat er twee mensen met een bom zijn, is namelijk nul: nog nooit gebeurd! Dus hoeven we niet meer te controleren en dat scheelt weer tijd en geld. Weer een probleem opgelost. En ik heb nog meer!

En daarom staakt heel onderwijsgevend Nederland. Nee, dus niet alleen om die ene week die we zomaar moeten inleveren (O, wat ben ik toch blij), maar om ons Jip & Janneke – ministerie. Ik schaam me echt voor mijn minister…..
Ik staak dus.

N.B.
Even heb ik gedacht om alle klinkers weg te laten, dan is deze brief namelijk korter (nog best te lezen hoor minister) en dus veel makkelijker te plaatsen.
Hé ….. alweer een goed idee! Zo zijn kranten dunner! En boeken ook! Kunnen leerlingen dus ook méér boeken lezen bij een gelijke hoeveelheid pagina’s!
Ik ga haar meteen mailen!

Zl z brljnt vndn!

Jan Verweij, excellentie-in-spe

docent Filosofie, St.-Odulphuslyceum,
Tilburg.

 

 

 

 

 

 

 

 

essay wedstrijd

Essaywedstrijd

Bij Nader Inzien en de Nederlandse Onderzoeksschool Wijsbegeerte (OZSW) nodigen alle academische filosofen in Nederland uit tot deelname aan een prijsvraag rond het thema:

De kracht van de academische filosofie

poster

Opdracht

De opdracht bestaat uit het schrijven van een essay waarin op een prikkelende en voor een breder publiek toegankelijke wijze wordt aangegeven (“show, don’t tell”) wat heden ten dage het nut en de noodzaak is van de academische filosofie. We zijn in het bijzonder op zoek naar stukken die niet zozeer op een meta-niveau reflecteren op de vraag wat de waarde is van de filosofie, maar dit laten zien, bijvoorbeeld aan de hand van een concreet vraagstuk of maatschappelijk thema. Het essay dient daarbij te illustreren (1) wat de filosofie doet, en (2) welke effecten de filosofie kan hebben op wetenschap of maatschappij.

Prijzen

  • De hoofdprijs bestaat uit een naar eigen inzicht te besteden bedrag van €750.
  • Naast de hoofdprijs zijn er twee geldprijzen à €500 en €250 voor de als tweede en derde beoordeelde essays.
  • Overige inzendingen maken bovendien kans op publicatie op filosofieblog Bij Nader Inzien.

Achtergrond

Voor de filosofie is het vaak moeilijk om de maatschappelijke en de wetenschappelijke impact van de discipline duidelijk te maken. Dit heeft onder meer te maken met het reflectieve karakter van de filosofie, waardoor de impact vaak diffuus is, indirect, en pas op lange termijn zichtbaar. Deze problematiek uit zich in allerlei verschillende contexten: bij onder­zoeksaanvragen, bij interdisciplinaire samen­werking, bij beleidsdiscussies, of bij de vorming van een nationale wetenschaps- en investerings­agenda.

Doel

Het doel van de prijsvraag is tweeledig. Ten eerste om een stimulans te bieden voor academisch filosofen om voor een breder publiek hierover te schrijven en het nut van de filosofie te illustreren. Ten tweede om narratieven te ontwikkelen die de impact beschrijven van de academische filosofie op wetenschap en maatschappij en die gebruikt kunnen worden in contexten waarin de impact van de filosofie aan de orde is. Het uitgangspunt is dat er niet één narratief is (het ‘juiste’), maar dat we een veelheid van narratieven nodig hebben om de impact van ons vakgebied te articuleren. De winnende essays zullen als vertrekpunt dienen voor een OZSW workshop om zo een veelheid aan narratieven verder uit te diepen.

Criteria

  • Taal: Nederlands
  • Lengte: 1500 tot 2500 woorden
  • Alleen ongepubliceerde en niet eerder bekroonde teksten kunnen meedingen
  • De jury staat open voor een pluraliteit van thema’s/stijlen/invalshoeken
  • De belangrijke beoordelingscriteria zijn: toegankelijkheid (zie ook het ‘tips‘ document van BNI), relevantie voor het vakgebied van de filosofie, en originaliteit.
  • Deelnemers: academisch filosofen (gepromoveerden, promovendi, masterstudenten)

Jury

Alle stukken worden allereerst beoordeeld door de redacteuren van Bij Nader Inzien. Een selectie wordt vervolgens beoordeeld door een expertjury (TBA). Over de uitslag zal niet worden gecorrespondeerd.

Deadline

Stuur je inzending in .word of .txt-format uiterlijk zondag 23 septembernaar bijnaderinzienblog@gmail.com. De inzendingen zullen geanonimiseerd beoordeeld worden dus gelieve geen naam te vermelden in het aangeleverde document. Graag ofwel in de mail ofwel in een apart document naam + positie (student/PhD/etc.) + universiteit vermelden.

Bekendmaking

De uitslag van de prijsvraag zal worden bekend gemaakt tijdens de OZSW Annual Conferencedie gehouden zal worden van vrijdag 9 en zaterdag 10 november 2018 op Drienerburght, Universiteit Twente, Enschede

niet ingezonden essay’s 2 en 3

NIET INGEZONDEN 2:

Essay ‘De kracht van de academische filosofie’

Geen Woorden Maar Daden, een sprookje

Als Feyenoord-fan kost het neerschrijven van bovenstaande Gouden Woorden mij uiteraard geen enkele moeite (ze uitspreken ontroert mij na zovele jaren nog steeds, ze zingen zal ik nooit doen: dat is voor de barbaren), het vervult mij juist met trots. De waarheid dient hier immers maar eens klip en klaar gezegd: filosoferen is een Rotterdamse uitvinding. In de stad aan de Maas waar zoals bekend de overhemden al met opgestroopte mouwen over de toonbank gaan, heeft de wieg van de filosofie gestaan, en nergens anders. Dat befaamde Griekse wonder waarbij meer dan 2000 jaar geleden rede en twijfel de plaats innamen van geloof en zekerheid, kan geschrapt worden uit Het Grote Geschiedenisboek en bijgezet bij andere misvattingen zoals dat Caesar ooit keizer was, de Rijn bij Lobith ons land binnenkomt en de Tachtigjarige Oorlog tachtig jaar duurde. Filosofie is Rotterdams, want in wezen áltijd praktisch en met een groot maatschappelijk engagement. Weliswaar zijn er in het verleden filosofen geweest die getwist hebben over de vraag hoeveel engelen er op de punt van een naald passen, hoe oud je in de hemel bent en waar je was nog vóór je grootouders geboren waren, maar die dien je allemaal, niet één uitgezonderd, ver en ver buiten Rotterdam te zoeken (ergens ver weg in de gemeente Neuzelarij in de provincie Haarkloverij, zo vermoed ik). Filosoferen gaat over hoe te leven, hoe het leven in te richten en wat met het leven aan te vangen: het leidt ons over het smalle pad dat de ironische distantie van het enthousiasme scheidt, zorgvuldig balancerend tussen een te veel en een te weinig. Enthousiasme – het begrip komt van het Griekse enthousiasmos en betekent dat de god in je komt – leidt in zijn meest pure vorm altijd tot kokervisie, tot verstarring, tot het zékere weten, terwijl ironische distantie – het op een afstand beschouwen met het duo mits en tenzij als een soort Romulus en Remus als oorsprong – de sturende kracht is tot overrelativering. Enthousiasme heeft de belofte in zich ons te leiden naar ongekend mooie utopieën die, zoals wij allen weten, altijd uitmonden in dystopieën; de talrijke onderwijshervormingen, nagenoeg álle ICT-initiatieven bij de overheid, de Betuwelijn en de Amsterdamse Noord-Zuidlijn zijn maar enkele sprekende voorbeelden van een afwezigheid van tegenspraak en dus van het over de balk gooien van vele miljarden. Maar ironische distantie in ongemengde vorm kent louter cynisme als eindpunt, en dus valt er met dragers van een ongedeeld enthousiasme niet te communiceren, maar met hen die alles ironiseren helaas evenmin. Uit deze twee uitersten dienen we er niet één te kiezen, maar een bloeiende en inspirerende synthese in een optimale verhouding te bereiden: ware wijsheid floreert niet alleen bij tegenspraak, maar vereist die, en wel onvoorwaardelijk.

Zoals je geen Feyenoord-fan bent voor je lol, zo dient het leven ons zich ook niet all-inclusive, à la carte en vooral niet gratuit aan: er is voortdurend werk aan de winkel, het omsmeden van natuur in cultuur gaat nou eenmaal niet vanzelf, een wankel evenwicht tussen de hierboven genoemde houdingen dient eerst nauwkeurig gezocht en bepaald en dan nauwgezet behouden te worden, vandaar de misschien wat curieuze, maar o zo treffende titel: Geen Woorden Maar Daden.

‘Maar het bekende ‘Ken u zelve’ dan?’ hoor ik een old-school filosoof nog vertwijfeld uitroepen. Ja, hij heeft gelijk. Maar die aansporing om vooral toch bescheiden en realistisch te zijn – meer is die niet hoor -, dient gezien te worden als niet meer dan de proloog van de Tour philosophique; de christelijke herformulering ‘zalig zijn de armen van geest’ is er een uitwerking van: alleen zij die weten dat ze in wezen niets weten, kunnen zalig zijn. Het gnothi is aldus hoogstens een aanzet, een tegeltjeswijsheid avant la lettre van Apollo. Zou ik de geschiedenis mogen herschrijven, dan zouden er in Delphi boven zijn tempel – ik zou die bij de bouw al meteen de meest koninklijke naam De Kuip gegeven hebben – in de architraaf de woorden Geen Woorden Maar Daden gebeiteld strálen. Eens kijken hoe de wereld van nu er dán had uitgezien!

Er was eens een land waar sprookjes nog bestonden, waar mensen niet alleen elkaar verhalen vertelden over koningen, prinsen en prinsessen, maar waar die ook daadwerkelijk leefden: zij woonden in grote kastelen, droegen een kroon en hadden lakeien. Vaak ging de koning op pad en soms nam hij dan een koets, een gouden natuurlijk. De mensen vonden dat heel gewoon, maar toch ook heel bijzonder: ze gingen dan uren en uren langs de kant van de weg staan en zwaaiden met vlaggetjes net zolang totdat de koning weer uit zicht was. Dat waren niet de domste mensen hoor, ook de hele volksvertegenwoordiging en alle ministers riepen eenmaal per jaar in september ‘léve de koning, hoezee’ en dat laatste dan wel drie keer heel luid (J.M, een van de leden van politieke partij SP, had later toen hij al met pensioen was, wel stoer bekend dat hij dan altijd heimelijk ’léve de koning, hoezo, hoezo, hoezo?’ had geroepen, maar hij was een uitzondering gebleven: zijn Splinter Partij had nooit veel te vertellen gehad en hij was ook nooit minister geworden). In dat land, waar de criminaliteit laag was en de welvaart hoog, waar voor iedereen werk was en een scala aan mogelijkheden om zich te ontplooien voor het oprapen lag, waar aandacht was voor elkaar, voor kunst, voor spiritualiteit en voor sport, waar vrede en welzijn voor de komende eeuwen verankerd leken, kortom in een land waar werkelijk iedereen graag woonde, was eens een fee verschenen. Ze was in het blauw gekleed, werkelijk beeldschoon met een engelengezichtje en had twee fijne, doorschijnende vleugeltjes. Zoals wel vaker het geval, leek ze onschuldiger dan ze in werkelijkheid was. Ze vroeg namelijk aan De Gemiddelde Inwoner van dat land of hij een wens had. Zij kon er op één voorwaarde namelijk voor zorgen dat die wens onvoorwaardelijk werkelijkheid zou worden. Een beetje wantrouwig vroeg de aangesprokene natuurlijk meteen wat die voorwaarde dan wel was. Zij antwoordde quasi onschuldig maar ó zo vilein dat ieder ander het dubbele zou krijgen van wat hij wenste. Ga daar maar eens aanstaan: een wens te formuleren die zodanig is dat hij jou en alle anderen zou kunnen behagen! De Gemiddelde Inwoner dacht maar héél even na en antwoordde toen zonder enige schroom, met een zelfverzekerdheid die zelfs de fee verbaasde: ‘Dan wens ik één oog minder.’ De fee vervulde meteen geschokt de wens zoals zij beloofd had.

Wat hier gebeurt, staat bekend als het prisoner’s dilemma, zo genoemd níet omdat het bekende voorbeeld daarvan over twee gevangenen gaat, maar omdat wij allen gevangenen zijn van ons streven het in ieder geval beter – zéker niet slechter – te willen hebben dan de ander. Dat het gevolg van ons handelen dan weliswaar relatief beter, maar absoluut vaak slechter is, nemen we graag op de koop toe: eenoog blijft ziende achter in een land van uitsluitend blinden en wordt zo de nieuwe koning.

De fee vertrok, niet zelf vliegend met haar doorschijnende vleugeltjes hoor, maar gewoon richting Rotterdam Airport. Op de weg daarnaartoe verbaasde ze zich over al het drukke verkeer; in de aankomsthal bezag ze met stijgende verbazing het gedrang rond de band waarop de bagage werd aangevoerd. Ze bedacht dat als iedereen één meter van de band verwijderd zou blijven, iedereen een goed zicht en ook ruimte genoeg heeft om de eigen koffer aan te nemen; de ene persoon die dat patroon doorbreekt en een stap naar voren zet, zet een keten in werking die voor iedereen absoluut slechter is, maar waarbij die ene persoon zich in ieder geval éven relatief beter positioneert.

Het niet slechter willen hebben en het juist beter willen hebben dan de ander vormen de twee zijden van één en dezelfde munt die ons handelen aanstuurt. Dankzij die munt floreert de postcodeloterij omdat niemand het risico wil lopen dat de prijs alleen de buren in de schoot zal vallen, dankzij die munt strandt een groot deel van de eerstejaars-studenten het eerste jaar al omdat een nóg betere optie gloort en lopen zovele huwelijken spaak omdat keer op keer een ander zich aandient met een kortstondige belofte het leven langdurig te veraangenamen.

Wij willen het in Rotterdam niet beter, wij willen het gewoon goed. ‘Beter’ ligt namelijk niet op, maar naast het pad dat naar het goede leidt. Hier weten we dat en hier praktiseren we dat onder het motto ‘geen woorden, maar daden’. Eén keer in de zoveel jaar kampioen worden is goed, als onze mooie Van Brienenoord te krap wordt, gaan we niet voor beter, maar leggen we er gewoon een tweede naast en als ons Boijmans van Beuningen aan renovatie toe is, fiksen we die in minder dan één jaar (vergelijk dat eens met een heel decennium voor het Rijksmuseum). Goed is bij ons namelijk goed. Dat is Rotterdams. De enige manier om aan het principe van het prisoner’s dilemma te ontsnappen is om in te zien dat je niet alleen bent, dat het geheel méér is dan de som der delen en dat je dus op basis van wederkerigheid aan gevoelens van loyaliteit, betrouwbaarheid en sportiviteit de voorrang moet geven boven een kortstondig en vals eigenbelang.

‘Beter is de Vijand van Goed’ stond er op een tegeltje dat vroeger al in het ouderlijk huis hing, links bij de trap. Ik snapte het toen niet, omdat ik dacht dat het ergens tussen goed en best in lag, maar ik ben er inmiddels van overtuigd (de schoonheid van het onvolmaakte bestaat overigens ook alleen maar bij de gratie van het goede). Alleen dat egocentrisch denkende en calculerende zakenmannetje dat wij allemaal in ons hoofd hebben en ons gladjes en valsjes voorhoudt dat je niet ziek hoeft te zijn om beter te willen worden, houdt óns gevangen en levert ons niets anders dan een dilemma waar we niet een-twee-drie uitkomen. Het diepe inzicht dat we het helemaal niet beter moeten willen, maar enkel naar het goede moeten streven – de vaak fragiele balans tussen enthousiasme en ironie vasthoudend – is moeilijk: daar moet je namelijk aan wérken, daarvoor moet je de mouwen opstropen – als je je overhemden tenminste niet zo al gekocht hebt – en dan de handen aan elkaar geven.

De fee met het engelengezichtje zag het geheel aan en ging bedachtzaam zitten. Zachtjes neuriede ze voor zich uit ‘Hand in hand, kameraden…’, en dat ook nog op een wel heel erg mooie melodie. Ja, laat dat maar met een gerust hart aan feeën over.

 

NIET INGEZONDEN 3:

Het Nut en de Noodzaak van Academische Filosofie

Wie vraagt naar nut en noodzaak van iets, veronderstelt niet alleen dat die twee daadwerkelijk bestaan, maar ook dat niet iedereen a priori hiervan overtuigd is. Wie deze vraag zo stelt, vraagt dus in wezen naar overtuigingskracht. Natuurlijk kunnen we als het om de maatschappij gaat waarvoor zij overtuigend aangetoond dienen te worden, die interpreteren als een totum pro parte en verwijzen naar Plato’s woorden dat een niet-doordacht leven niet waard is om geleefd te worden, maar dat is misschien iets te kort door de bocht. Filosofen eigen is het om eerst nader de vraagstelling te onderzoeken: als iets nut heeft, is dan de noodzaak meteen al gegeven, en als iets noodzakelijk is, is dan het nut meteen al gegeven? Maar zoals de vraag nu gesteld is, lijkt de vraag tweeledig. Eerst het nut dan maar.

Godzijdank heeft filosofie volstrekt geen nut. Geen enkel. Nul procent. Had zij die wel, dan zou zij haar eigenheid immers meteen kwijt zijn, namelijk het streven om niets met zekerheid te willen weten: herroepelijkheid – om maar een net geboren neologisme hier ten doop te houden – is samen met verschilligheid met de filosofie meegebakken. Filosoferen is het zekere weten te vermijden sprak Cornelis Verhoeven ooit al. Het eenduidig één richting opgaan, één doel hebben en één eindresultaat nastreven die alle in dienst kunnen staan van een groter geheel – als onwrikbare bouwstenen in een redenering of leefstijl – is een wezensvreemd element in het denken van filosofen; het overtuigd willen worden dat (academische) filosofie nut heeft, is vragen om een contradictio in terminis (voor het cogito maak ik uiteraard hier een uitzondering). Iets heeft nut als het voor iets anders een rol kan spelen, dus vragen naar het nut van iets, doet uiteindelijk – als het antwoord gegeven is – de vraag automatisch verschuiven naar een volgende, grotere vraag. Uiteindelijk komen we dan op de laatste, op de grootste vraag uit, namelijk op wat het nut van het leven is. Allerlei leerstellingen en religies hebben daar al eeuwenlang wisselende (en vaak verrassend gelijke) antwoorden op gegeven, maar theologen en filosofen verschillen op het punt van het ‘binden aan’ en het ‘loskoppelen van’ een bovenaardse macht aan ons doen en laten: filosofie is per definitie diabolisch (waarbij de vertaling ‘duivels’ in dezen incorrect is: de filosofie scheidt alleen waar de theologie juist verbindt). Daarom lijkt bovenstaande verzuchting ‘godzijdank’ paradoxaal, maar is ze bij nader inzien geheel conform de strekking van die uitspraak.

De noodzaak dan? Ook hier lijkt me die in eerste instantie niet aanwezig, tenzij men onder filosoferen ‘het diepere denken’, ‘het reflecteren’ of zelfs ‘het denken over het denken’ verstaat. Dergelijke omschrijvingen zijn overigens té gemakkelijk, containerbegrippen heten uiteraard zo omdat ze overal op passen. De gestelde vraag, die ons binnen de filosofie naar die discipline die zich met het politieke en het sociale bezighoudt leidt, baart ook nu weer meteen een volgende, namelijk ‘noodzakelijk voor wat?’ Als schakels aan een ketting kun je immers doorgaan tot je bij het begin komt; en dan dien je je de vraag te stellen over dat begin. Dat antwoord valt per definitie niet te funderen, iedere deductie is uiteindelijk afgeleid van een dogma of axioma.

Geluk, niets meer en niets minder dan geluk. Mijn stelling is dat het doel van iedere samenleving geluk is, gegeven of beoogd (dat maakt me niet uit). Ieder handelen is gericht op het vergroten van geluk. In die betekenis leven we – samen met de Scandinavische landen staan we op de gelukslijst uitzonderlijk hoog – in een wel zeer gelukkige en in mijn ogen dus hoogontwikkelde samenleving. Willen anderen een dergelijke ranking liever afmeten bijvoorbeeld aan het gemiddelde inkomen, het aantal gewonnen bekers in de Champignons League, uitgereikte Nobelprijzen, hoeveelheid kunstgaleries, gewonnen Oscars of aan het aantal geregistreerde patenten (de lijst is makkelijk uit te breiden met volslagen andere, alle even waardevolle als volstrekt onzinnige parameters), mij lijkt het cijfer dat we onszelf geven over ons eigen leven meer steekhoudend dan ieder ander criterium.

De stelling dat de Nederlandse bevolking bovenmatig gelukkig is, kan gestaafd worden; jaarlijks wordt aan een groot aantal mensen de vraag voorgelegd welk cijfer bij het eigen leven past. Binnen die groep van meer dan 16 miljoen gelukkige Nederlanders scoort de jeugd ook nog eens het hóógst van de gehele wereld. Dit komt voor een groot gedeelte omdat ze de school en alles wat daarmee samenhangt, maar liefst een 7,8 geeft (vergelijk dat eens met bijvoorbeeld de Griekse jeugd die een schamele 3,8 overheeft voor het niveau, voor de veiligheid en voor de betrokkenheid van hun leermeesters). Wat een genot om in Nederland te leven meteen al als je jong bent (en onderwijs geniet)! Onze jeugd krijgt de hamvraag en wint prompt de ham, heeft de wind mee, fietst bergaf trappend op een elektrische fiets en valt steevast vól met de neus in de boter, die dan ook nog eens roomboter blijkt te zijn.

Als het doel van het leven het geluk is – ik weet dat er vele manieren zijn om geluk te ervaren (bekend is de uitspraak geluk is genot voor de wijze, genot is geluk voor de domme) -, wat is dan de relatie met filosofie? Is enige kennis van filosofie bij ieder van ons afzonderlijk echt noodzakelijk om gelukkig te zijn? Ja en nee.

We leven in een wereld waarin al miljoenen jaren alles gericht is op ongelijkheid, op overrompelen, op overwinnen en dan op verder overheersen. The survival of the fittest is niet inclusief de mensheid, het omvat ook het individu. De geschiedenis is een aaneenschakeling van menselijk leed aangedaan in de worsteling de bovenliggende partij te willen zijn. Het achterstellen op basis van geslacht, afkomst, seksuele voorkeur of ras is nog onverminderd aan de orde van de dag. Belonen en bestraffen op basis van genetisch verkregen intelligentie of aanleg vormen zelfs in de ogen van velen de legitieme basis voor ons beloningssysteem: de vrije wil wordt klakkeloos aangenomen, ieder handelen zou immers het product van een wilsact zijn (vandaar dat we bij een natuurramp allen éven gelijk zijn en we allen éven gelijk de smart delen – het gironummer is al bekend voor de omvang duidelijk is -, maar daarna gaat het opboksen weer onverdroten voort). De mensheid verbroederde niet, zij individualiseerde zonder tegenkracht op zo’n wijze dat versplinterde een betere formulering is. Ik herinner me dat in mijn jeugd iedereen om de haard gezellig om dat éne televisietoestel zat te socializen, nu zit iedereen op eigen kamer naast de centrale verwarming naar het eigen tablet te staren: zelfs onze vooruitgang stimuleert het verminderen van het gemeenschapsgevoel. Dat weten we al eeuwen en eeuwen en daarom vinden we keer op keer religies uit die met begrippen als naastenliefde hier verandering in aan moeten brengen, maar terwijl de geestelijken hun zakken bleven vullen op een manier waarom de televisiedominees nu schamper lachen, lieten we de kern van het probleem onaangetast: waar de macht is, zit het geld. Ongelijkheid genereert grotere ongelijkheid, de onderklasse stelt alles in het werk om op te klimmen, de bovenklasse om nóg hoger te klimmen, minimaal te conserveren.

Maar het kan anders. Beginselen van rechtvaardigheid dienen gekozen te worden achter een sluier van onwetendheid: deze uitspraak is van de filosoof John Rawls, uitgewerkt in A Theory of Justice uit 1972. Hierin ontwerpt hij een theorie die uiteenzet hoe de mensheid op een eerlijke manier kan bepalen wat rechtvaardigheid is. Wat doorbroken dient te worden is de menselijke neiging uit te gaan van het eigenbelang, en onze verkregen dan wel gewonnen positie minimaal te verbeteren zonder ook maar enige acht te slaan op wat fairness is. De bankdirecteur die 40% salarisverhoging claimt alleen omdat anderen in zijn positie die óók krijgen, de voetballer die een torenhoog salaris eist omdat veronderstelde mindere voorgangers dat al opstreken: zij gaan beiden uit van het eigenbelang, ondemocratisch, zelfzuchtig en vooral schaamteloos omdat de notie rechtvaardigheid totaal afwezig is. In een denkbeeldige situatie waarin we niet weten wie of wat we zijn, de original position, dienen we ons onder een sluier van onwetendheid te plaatsen: zonder te weten of we man of vrouw, arm of rijk, blank of zwart, gezond of ziek, jong of oud, slim of dom, getalenteerd of middelmatig zijn, kortom zonder te weten wat onze plaats in de wereld is, kunnen we pas bepalen wat rechtvaardigheid is. De original position is zo ons eigen belang in ieders belang. Rationeel geven we alleen zo antwoord op de vraag wat eerlijk is. Ons geluk hier in Noordwest-Europa is voor een groot gedeelte ontstaan door onze geringe, eerlijke (!) inkomensverschillen. Natuurlijk, we hebben geen oorlog, we kennen geen honger, geen extremisme en we hebben natuurlijke rijkdommen. Dat helpt vanzelfsprekend allemaal mee, maar wij hebben het toch maar mooi voor elkaar gekregen dat gelijkheid de basis is door onze behoefte aan ‘overrompelen, overwinnen & overheersen’ in een andere vorm te gieten. Maar heeft de filosofie daar nou aan bijgedragen? Geeft de filosofie het doel aan of ook de stappen die gezet moeten worden om dat doel te bereiken?

Mijn ouders hebben mij op jonge leeftijd allerlei sporten laten beoefenen, net zo lang tot ik er achter kwam dat er eigenlijk maar één sport is en alle andere eigenlijk spelletjes zijn.
Onze kinderen hebben wij dezelfde weg laten bewandelen, zij het dat ze op een andere uitkomst uitkwamen. Niet alleen stond de zaterdag jarenlang in het teken van de sport – hele elftallen van hot naar her rijden, vlaggen langs de lijn, bardiensten draaien, tenues wassen, troosten (vaak), meejuichen (soms) en aanmoedigen (altijd) -, ook de rest van de week werd gekleurd door spel. Kaarten, mens-erger-je-niet, boompje-verwisselen, schaken, dat soort bezigheden. Sport en spel zag ik bij mijn kinderen emoties kanaliseren, ik zag dat ze in teamverband leerden werken, dat ze strategisch gingen denken, hun grenzen opzochten, hun verlies leerden nemen en mildheid ontwikkelden: ik zag ze kortom sportiever worden. De behoefte aan succes, aan het overrompelen, overwinnen en overheersen werd in zalen, op springkussens, matten, grasvelden, circuits, zelfs onder water en in de lucht, maar vooral thuis bevredigd. En gelukkig waren wij niet de enigen. Nederland telt op sportgebied mee. Bij de laatste Europese Kampioenschappen behaalden wij maar liefst 43 medailles, bij WK en Olympische Spelen kleurt het land spontaan oranje. Ireen, Sven, Epke, Naomi, Daphne en Tom staan hier op gelijke hoogte met Willem-Alexander en Maxima. Nederland ludificeert – de term is van Johan Huizinga – en die ludificering is overal aanwezig, sport en spel lopen in elkaar over en zijn zelfs zichtbaar tot in de kleine uurtjes op werkelijk elk televisienet waar de meest creatieve spelletjes gespeeld worden omdat zij aan een behoefte voldoen (terwijl ik dit schrijf zit mijn vrouw al uren op haar tablet een spel met haar zus in Amerika te spelen).

En zó hebben wij een samenleving gemaakt waarin wij gemeenschapszin creëren door onze competitieve drijfveren en driften te gebruiken om bergen sneller dan een ander op te fietsen, om één bal meer dan de tegenstander in een net te schieten, of om een balletje in minder slagen dan de ander in een gaatje te krijgen (of zo u wilt: in een hole). Sportieve mensen zijn sportiever. Kan het simpeler? Maatschappelijke gelijkheid koesteren door sportieve ongelijkheid te omarmen.

Zo hebben we óók oog voor ieders eigen belang in ieders belang. En daarbij heeft de filosofie geholpen, ons nadrukkelijk de weg gewezen, maar onmachtig als zij is om ons als irrationele wezens te sturen, heeft zij wel een pas opzij gezet en het overgelaten aan sport en spel. Filosofie is de ultieme rebound.

Het is niet nodig dat iedereen kennis heeft van filosofie, maar filosofie dient wel in een samenleving in verschillende verschijningsvormen aanwezig te zijn om het doel te bepalen: noodzakelijk, strikt noodzakelijk zelfs. Filosofie en sport lijken elkaars tegenpolen, maar in feite is het de filosofie die ons land door sport oranje laat kleuren. De term ‘academische filosofie’ in de vraagstelling is dan ook de ware contradictio in terminis