Leeratelier

Uitnodiging en programma inspiratiedagen leerateliers 15 en 22 januari 2019

09.00 uur Inloop en Koffie
09.15 uur Wie zijn onze leerlingen en hoe leren ze?
10.15 uur Een uitwisseling van opbrengsten atelier Noordoost

Pauze

11.45 uur Bespreking van de opbrengsten o.l.v. Femke Geijsel

Lunchpauze

14.00 uur Identiteitsontwikkeling o.l.v. Jan Verweij
Hoe verhouden onze eigen opvattingen en idealen rond
goed onderwijs zich tot de verwachtingen die anderen
binnen de school hebben en hoe gaan we ermee om als
het “schuurt?”

16.00 uur afsluiting

Seminar

Seminar for Educators from The Netherlands

Dec.28th 2018 – Jan. 6th 2019

Friday, 28.

12.2018 Arrival in Israel
11:40 Arrival at Ben-Gurion Airport on HV5801
Transfer to Jerusalem Gold Hotel, 94383 Jerusalem
14:00 Anticipated Check-In Time at Hotel

Saturday, 29.

12.2018 Excursion I – Jerusalem
09:30-16:00 The Old City of Jerusalem
Tour Guide: Ben Lev Kadesh

Sunday, 30.

Introduction to Yad Vashem: Educational Concept and the
Historical Museum
09:00-11:00 Welcome and Introduction in the Seminar
What are the expectations of the seminar?
Daniel Rozenga, Yad Vashem

11:00-11:30 Coffee Break + Group Photo

11:30-13:00 Lecture: The Educational Concept of Yad Vashem
Part 1: Remembrance and Education in Israel and Yad Vashem
Dr. Noa Mkayton, Yad Vashem

13:00-13:45 Lunch Break

13:45-15:00 Film and Discussion: From Where Shall My Help Come?
Daniel Rozenga, Yad Vashem

15:00-17:00 Guided Tour: The Historical Museum of Yad Vashem
Daniel Rozenga, Yad Vashem

Monday, 31.

16:00-16:30 Coffee Break

16:30-18:00 Lecture: The current political situation in the Middle East
Dr. Gil Yaron, Journalist

Wednesday, 02.

09:00-11:00 Workshop followed by a presentation: A Calendar for Life. Teaching material based on authentic documents about the fate of the Dutch Herschel family (for Junior High School students).
Yad Vashem Educational Concept of Teaching the Holocaust Age-Appropriately
Daniel Rozenga, Yad Vashem

11:00-11:30 Coffee Break

11:30-13:00 Workshop: Participants work with Yad Vashem’s Educational Materials and create their individual lesson plan
Daniel Rozenga, Yad Vashem

13:00-14:00 Lunch Break

14:00-14:30 Introduction to the meeting with a Holocaust survivor
Daniel Rozenga, Yad Vashem

14:30-16:30 Meeting with Survivor: Daniel Gold

16:30-17:00 Coffee Break

17:00-17:30 Evaluation of the Meeting with the Survivor
Daniel Rozenga, Yad Vashem

Thursday, 03

09:00-10:30 Lecture: Super-Images of the Holocaust: The Migration of Holocaust Images in Popular Cinema and Television
Dr. Tobias Ebbrecht-Hartmann, Hebrew University Jerusalem

10:30-11:00 Coffee Break

11:00-12:30 Presentation: Cartoonist and Lecturer Michel Kichka about his Graphic Novel: “Second Generation – Things I Never Told to my Father”

12:30-14:00 Lunch Break + Individual Visit of the different Yad Vashem Facilities

14:00-15:30 Workshop: Contemporary Antisemitism
Yoni Berrous, Yad Vashem

15:30-16:00 Coffee Break

16:00-17:30 Guided Tour of the Yad Vashem Campus: Collective Shoah Remembrance in Israel Jonathan Matthews, Yad Vashem

18:15-20:15 Farewell Dinner in Restaurant Luciana, Mamilla, Jerusalem

Friday, 04.

09:00-10:30 Lecture: Hunting down Nazi War Criminals.
Dr. Efraim Zuroff, Simon Wiesenthal Center, Jerusalem

10:30-10:45 Coffee Break

10:45-11:30 Closure of the Seminar: Feedback and Discussion about Future Prospects
Daniel Rozenga, Yad Vashem

11:40 Lunchbox, Return to Hotel (or join the excursion to Tel Aviv)

11:45 Excursion to Tel Aviv and Yafo

Dinner in Tel Aviv
Tour Guide: Anat Groysman

Saturday, 05.

09:30-17:30 Masada and the Dead Sea in the Judean Desert
Tour Guide: Yonathan Weiss

Sunday, 06.

09:00 Departure from the Hotel to Ben-Gurion Airport

13:05 Flight to Amsterdam, HV5802

artikel MESO

Artikel geschreven voor het onderwijsblad MESO:

Onderwijs en Vernieuwing: twee overzijden die elkaar schijnen te vermijden
Jan Verweij, docent filosofie, voormalig lid onderwijs2032

De geoefende poëzie-lezer herkent in de titel enige regels van het gedicht van Martinus Nijhoff.
In onderstaande betoogt Jan Verweij dat er een nieuwe brug nodig is om onderwijs en vernieuwing weer buren te laten worden.

Stelt u zich eens voor: een tijdreiziger uit de 19e eeuw, zeg 1850, landt met een uiterst ingenieus apparaat in onze tijd in een willekeurige stad. Hoe futuristisch zijn tijdmachine voor zijn tijd ook is, hij zal ongetwijfeld zijn ogen uitkijken naar alle vernieuwingen van de laatste decennia, sterker nog: hij zal totaal, maar dan ook totaal ontheemd om zich heen blijven staren, verstard bij het zien van al die onbegrijpelijke innovaties. Waren de trage en geleidelijke ontwikkelingen in de eeuwen vóór zijn tijd nog redelijk bij te houden en te overzien, sindsdien heeft de wereld een complete metamorfose ondergaan. Enigszins tot rust en bedaren gekomen zal hij wat gaan wandelen, zich verbazen en verwonderen tot er opeens, ja opeens een gulle glimlach op zijn gezicht zal verschijnen, want één maatschappelijk instituut dat hij opmerkt, herkent hij onmiddellijk: de school!

Zestig jaar geleden ging ik voor het eerst naar school, ik was vier jaar oud. De kleuterschool heette dat toen nog. Juffrouw Roos was mijn eerste liefde. We zaten in drie rijen, de klas kende 32 leerlingen; jaren later kregen we 15 vakken, hadden we drie proefwerkweken per jaar, moest ik één keer een heel jaar overdoen omdat ik twee of drie vakken niet voldoende beheerste, en werd het hoogtepunt van het jaar de buitenlandse reis.
Ik ben (toch) het onderwijs ingegaan en ik geef nog steeds enthousiast les aan …. 32 leerlingen in 3 rijen, die 15 (dezelfde) vakken krijgen, die nog steeds een heel jaar moeten overdoen als ze …etc etc.

Die twee gegevens zijn op zich al frappant, nóg frappanter is het dat collega’s in het veld klagen over de vele en de snelle veranderingen in het onderwijs. ‘Laat het onderwijs eens met rust’ is de tekst op menige grafsteen van álle vruchteloze pogingen tot onderwijsvernieuwing. Met vele uitroeptekens erachter. En in kapitalen.
Het onderwijs dat zich – in mijn ogen – niet zó zou moeten inrichten dat het leerlingen opleidt om naadloos de maatschappij in te schuiven, maar juist leerlingen dient op te leiden om een nieuwe maatschappij te creëren, gedraagt zich hopeloos conservatief. Heine zei het naar verluidt al: als de wereld vergaat, vlucht dan naar Nederland, want daar gebeurt alles 50 jaar later. Ik ben benieuwd hoeveel tijd hij in zijn advies zou geven als hij naar het onderwijs had gekeken.

Bij de start van onderwijs2032 in 2015 voelden we ons gesterkt door talloze ontwikkelingen die ons het momentum aangaven: de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid adviseerde indertijd al met klem dat er snel aandacht voor vaardigheden moest komen, uitkomsten van discussies naar aanleiding van Het Alternatief pleitten unaniem voor meer verdieping met meer horizontale integratie, de SLO ageerde fel tegen methodeslavernij en de Onderwijsraad hamerde op een radicale curriculumvernieuwing. Het momentum was daar, aan de horizon gloorde de bereidheid een fundamentele discussie aan te gaan. Het jaartal 2032 namen we niet alleen veiligheidshalve op als stip aan de horizon, leerlingen die in het jaar van start van onderwijs2032 geboren werden, gaan immers dán hun eindexamen doen.
We gingen voortvarend aan de slag. We spraken met meer dan tienduizend leraren (we kennen immers in Nederland 16 miljoen bondscoaches, we gingen er vanuit dat er net zoveel onderwijsdeskundigen rondlopen), we liepen deuren van raden, organisaties en overkoepelende instituten plat; we studeerden, lieten ons leiden door deskundigen, betrokken leerlingen erbij door adviesvangers op te leiden, we publiceerden regelmatig over de voortgang en we kwamen uiteindelijk tot een afrondend advies. Ja, de vuilspuiterij die twitter heet, liep af en toe roodgloeiend aan, de naam van de voorzitter (Paul Schnabel) werd verbasterd totdat de ó zo ludieke naam Schnabeltjeskrant het leven zag en de BON zaagde onvermoeibaar door aan alle stoel- en tafelpoten. Maar geen nood: op vleugels van het momentum weet u nog wel?

We kwamen zo tot een advies, ik herhaal de punten hier maar niet uitgebreid – ze zijn genoegzaam bekend omdat ze zo sober zijn (onder andere aandacht voor méér persoonsvorming naast de kwalificatie en de socialisatie, een vaste basis genaamd kerncurriculum met Nederlands, Engels, rekenvaardigheid (inclusief wiskunde), digitale geletterdheid en burgerschap als verplichte onderdelen,  drie leerdomeinen (Mens & Maatschappij, Natuur & Technologie, Taal & Cultuur), een grotere rol voor Engels in het basisonderwijs en aandacht voor zowel meetbare als ‘merkbare’ leeropbrengsten)-, maar ik licht er ééntje uit omdat die zo exemplarisch is voor wat er verder gebeurde. We adviseerden de vakken Frans en Duits af te schaffen als verplichte vakken. Let wel: als verplichte vakken (geen gymnasium zal het (terecht) in zijn hoofd halen de vakken te schrappen, geen vervolgonderwijs in het oosten van het land zal Duits verwijderen, maar waarom toch voor iedereen – ook voor allochtonen voor wie die vakken onoverkomelijke hindernissen zijn – deze vakken nog verplicht stellen?).
De vakgroep Duits was het met ons eens. Wat betreft Frans.
De vakgroep Frans was het met ons eens. Wat betreft Duits.
Naarmate we verder en verder kwamen en voorzichtige conclusies presenteerden, schoven de achterste rijen leraren die met de armen over elkaar mopperden dat hun nog niets gevraagd was, langzaam op naar voren. Tweehonderdvijftigduizend werknemers in het onderwijs: we kwamen er achter dat we ze nooit zouden kunnen bereiken. Lubach koos het advies uit als schietschijf op de zondagavond en het momentum begon langzaam te verschuiven naar de einder; een journalist in De Correspondent kwam zelfs met de complottheorie dat alles allang bekokstoofd was en onderwijs2032 slechts een smoesje was: architect (lees SLO en het ministerie) en metselaar zouden één zijn! Elvis schijnt ook nog ergens te leven.
Wat was er toch gebeurd?

In mijn lessen filosofie leg ik mijn leerlingen het prisoner’s dilemma uit: het verschijnsel dat niemand meteen kiest voor het objectieve goede, maar eerder voor het subjectieve betere. Vele, ja bijna alle maatschappelijke problemen zijn het gevolg van deze houding, van het klimaatprobleem en de overbevissing van de zeeën tot onze fileproblemen. Meestal leg ik het dilemma uit met behulp van de bezette ligstoelen in de resorts: ’s ochtends om half 9 bestormen vaders het zwembad om voor de hele dag 4, 5 of 6 stoelen te claimen (want anderen doen dat immers ook!).
Ik heb sinds ik aan onderwijs2032 meewerkte een nieuw voorbeeld: het onderwijs.

Zolang democratisch gevraagd wordt aan leraren hoe en wat, bewaakt ieder het eigen territorium; zolang eigenaarschap over de lessen gezien wordt als eigenaarschap over het onderwijs, zal er niets, helemaal niets veranderen.
Schaar ik me met deze opmerking bij de groep cynici die helaas ook in het onderwijs (spaarzaam) te vinden is? Welnee, zeker niet.

Als vakdidacticus vraag ik mijn studenten te dromen onder het motto van Loesje ‘bedenk het eens wél zo gek’. Geen student komt op een onderwijs zoals we dat nu kennen. Als leraar vraag ik collega’s wel eens te dromen en te wensen: niemand komt uit op de huidige situatie, zelfs in de verste verte niet! Overeenstemming is er wel, zolang de ander (lees: een ander vak) er niet beter van wordt.

Deze patstelling dient doorbroken te worden. Nu de onderwijscoöperatie is begraven (ik weet: juist deze organisatie trok het plan noodgedwongen terug), is Alexander Rinnooy Kan druk bezig een nieuwe opzet te maken zodat de beroepsgroep eindelijk weer een vertegenwoordiging heeft die aanspreekbaar is (en ook iets zinnigs kan en mag zeggen over kwaliteitsbewaking) en dán…., ja dan zal blijken dat onderwijs2032 rimpels heeft veroorzaakt en dat curriculum.nu een golfbeweging in gang zet: 150 inspirerende leraren van 84 scholen zijn immers bezig met een concrete uitwerking van het curriculum! Maar eerst is een vertegenwoordiging met gezag nodig, een platform van de beroepsgroep van, voor en door ons allen (ja, die formulering van onderwijscoöperatie blijf ik toch maar even gebruiken).

De onmacht van ons docenten iets te doen aan het lerarentekort – om maar eens een ander probleem bij de horens te vatten (welke beroepsgroep staat toe dat er soms wel 30% van het werk verricht wordt door onbevoegden?) – is een teken aan de wand: wij hebben geen zorg voor het onderwijs, wij hebben allemaal als gevangene zorg, véél te veel zorg en aandacht voor ons eigen vak, we willen het betere zonder het goede na te streven: zolang wij dat niet inzien, kan de tijdreiziger van 2018 rustig nog een kopje koffie gaan drinken: maakt niet uit wanneer hij gaat (en komt).

Tot die tijd geef ik vrolijk en vooral enthousiast les aan tweeëndertig leerlingen, in drie rijen, met drie proefwerken, krijgen ze 15 losse vakken en moeten ze als ze twee of drie vakken …… nee, dat is toch weer een te cynische afsluiting, daarvoor ben ik te blij ooit het onderwijs in te zijn gegaan, daarvoor houd ik veel te veel van het onderwijs, zelfs méér dan van mijn eigen vak (tenminste, dat probeer ik).

 

PRIMA ONDERWIJS

Voor het magazine Prima Onderwijs het volgende geschreven:

Jan Verweij is docent Humaniora – Filosofie

‘Mijn voornemen: meer pluimen en minder rode pennen!
Na 40 jaar onderwijs neem ik me eindelijk voor af te stappen van al die malle toetsen. Kijk naar een gemiddelde 3 vwo leerling die 15 (!) vakken heeft, van 15 docenten die allemaal vinden dat ze aan het einde van het jaar minstens 10x getoetst moeten hebben. Bereken dan eens hoeveel dagen zij les hebben (37 weken van 5 dagen) en je ziet meteen dat het bijna iedere dag prijs is.
Nu het eindexamen nog….weg ermee! In geen enkele opleiding is er een centrale afsluiting die weken en weken aan lestijd kost, die gebaseerd is op wantrouwen of op een vermoeden van onkunde. Inderdaad: weg ermee. The tail is wagging the dog – een goede vertaling in de vorm van een gezegde ken ik niet – maar dat het eindexamen de inhoud van de inhoud stuurt in plaats van andersom, lijkt me wel duidelijk. En als er dan toch wordt getoetst? Dan ben ik voor pluimen en tégen de rode pennen. Hier in de personeelskamer zie ik nog vaak genoeg collega’s strepen met dat agressieve rood.
ER MOET STRENGER BELOOND WORDEN!
Ik ben het met Loesje eens.’

symposium 22/11/18

Professioneel statuut
Het beroep van leraar is sinds 1 augustus 2017 door de Wet beroep leraar wettelijk beschermd. Deze wet beoogt de positie van de leraar in de school en de kwaliteit van het lerarenberoep te versterken. De wet is van toepassing op het basisonderwijs, voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. 
Een belangrijk onderdeel van de wet is het professioneel statuut dat door de leraren en het schoolbestuur samen moet worden opgesteld. In het professioneel statuut worden afspraken gemaakt over het respecteren van de professionele ruimte van de leraar. Vanaf 1 augustus 2018 dienen schoolbesturen aan te tonen dat er een professioneel statuut is opgesteld met afspraken over de vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische zeggenschap van de leraren. Dit zal ook gecontroleerd worden door de Inspectie. 
Deze professionele ruimte moet wel passen binnen het onderwijskundig beleid van de school. Hoe daarmee om te gaan? Hoeveel of hoe weinig zeggenschap is er voor de leraar? Wat is de toegevoegde waarde van het professioneel statuut? En wat als leraren en school er samen niet uitkomen?
 
Ruim baan voor leraren
Hoe kunnen aanpassingen in de opleidings- en arbeidsstructuur van leraren bijdragen aan voldoende en goede leraren? In antwoord op deze vraag van de Tweede Kamer kwam de Onderwijsraad op 7 november 2018 met het advies Ruim baan voor leraren. Een nieuw perspectief op het leraarschap.
De raad pleit voor een nieuwe kijk op het leraarschap, die leidt tot een ingrijpende herziening van de opleidings- en arbeidsstructuur. De raad stelt een model voor waarin leraren zich, bovenop een brede basisbevoegdheid, kunnen bekwamen in bepaalde vakken en specialisaties voor diverse onderwijssectoren. Dat zou tijdens de lerarenopleiding én later tijdens de loopbaan kunnen gebeuren. Meer mogelijkheden tot mobiliteit zorgen volgens de raad voor een aantrekkelijker beroep en bieden daarnaast meer mogelijkheden om lerarentekorten beter aan te pakken.
 
Kennissessie
Op donderdag 22 november 2018 organiseren wij een kennissessie om samen met u en enkele inspirerende sprekers van gedachten te wisselen over het professioneel statuut. De sprekers laten hun licht schijnen op het professioneel statuut, bekeken vanuit de bestuurder/schoolleider, de leraar en de onderwijsjurist.
 
 
Locatie
Onderwijshotel De Rooi Pannen
Kaakstraat 1

5623 AD Eindhoven

Programma
13.30 uur Inloop 
13.50 uur Welkomstwoord 
Nicole Niessen 
14.00 uur 1
e spreker Dave Ensberg 
14:25 uur 2
e spreker Jan Verweij 
14.50 uur 3e spreker Rob van den Nouweland

15:15 uur Pauze 

15:30 uur Gedachtenwisseling met Paul Zoontjens

16:10 uur Afsluiting door Nicole Niessen 

16:15 uur Einde met netwerkborrel tot 17:00 uur
 

ingezonden essay

Essay in het kader van de wedstrijd ‘De kracht van de academische filosofie’

De Nederlandse Onderzoeksschool Wijsbegeerte
en
Filosofieblog Bij Nader Inzien

Filosoferen is leren te leven.

Doordachte aforismen hebben de kracht van sensatie. Hun omkering wekt wellicht juist daardoor vaak een vorm van weerstand op (analoog aan talent en genie, zo vermoed ik). Natuurlijk is de uitspraak ieder nadeel heb zijn voordeel veel mooier dan ieder voordeel heb zijn nadeel en is waarover je niet kunt spreken, daarover moet je zwijgen veel sprankelender dan waarover je niet kunt zwijgen, daarover moet je juist filosoferen. Toch geef ik het voordeel van de twijfel vaak aan de omkering of variatie. Variëren op een thema is immers per definitie buiten al aangegeven lijnen kleuren. Smaken verschillen vind ik mooi, nóg mooier vind ik dus Verschillen smaken omdat het oorspronkelijke gezegde erin opgesloten zit: twee voor de prijs van één zou je kunnen zeggen (over ik ben, dus ik denk héb ik het nog niet eens!).

Tijdens mijn studie is de uitspraak Filosoferen is leren te sterven zó vaak voorbijgekomen, dat ik bij god niet meer weet van wie die afkomstig is: van Plato, of wellicht van Cicero, misschien toch van Montaigne? Ik weet het niet, ik ga het ook niet opzoeken, het is van geen belang. Maar sinds een jaar hangt er boven mijn bureau de tekst Filosoferen is leren te leven. Die is van mezelf. Een tegeltjeswijsheid als een koe (om in gebrekkig Nederlands de waarheid hiervan maar eens aan te duiden). Ik geef grif toe: de geschiedenis zal ik er niet groots en meeslepend mee ingaan en hierom zal ik later zéker niet als diep denker herinnerd worden, maar toch…
Filosoferen wordt vaak gezien als een elitaire, academische, van ieder nut en zin ontblote bezigheid. Het is hoogstens een aardig tijdverdrijf, verder is het machteloos en geheel tandeloos (hoe anders vond keizer Domitianus dit in 89 na Chr. door werkelijk álle filosofen uit Rome te verbannen!). Het huidige waarderen van de maatschappelijke relevantie kwam voor mij schrijnend tot uiting in de kwalificatie die ik van mijn vrienden hoorde toen ik hun vertelde wat ik ging studeren: ‘veredeld hobbyisme;’ en ook dat ik me vooral niet hoefde te schamen hoor, dat mijn ouders dat wel voor mij zouden doen. Filosofen koesteren bovendien ook nog eens zelf, hoog verheven in hun ivoren torens, dat vooroordeel, vaak geheimzinnig en wat meewarig glimlachend om alle niet-filosofen die toch niet bij machte zijn het Grote Geheim dat hun wél geopenbaard is, te doorgronden. Net zoals het begrip democratie populistisch is vervlakt tot ‘de meerderheid mag het zeggen,’ zien we dat de term filosofie langzaam verwaterd is tot ‘kritisch nadenken’ (welke wetenschap doet dit nou niet?) of erger nog tot ‘houden van wijsheid.’ Ik zeg ‘verwaterd’ inderdaad, want dat beklijft niet, het glipt je door de vingers en uiteindelijk verdampt het. Houden van wijsheid: tja, wie doet dat niet? Wie zegt ‘doe mij maar domheid?’ Het is als de waarschuwing om niets overhaast te doen of de opmerking op=op: beide zijn nietszeggend en hebben een diepgang van een kano en een air van quasi-diepzinnigheid.
Laten we voor een goed begrip teruggaan naar de bron, de etymologie. Het woord filosofie komt van twee Griekse woorden, namelijk philo en sophia. Het eerste deel geeft een gesteldheid aan waarin iemand zich graag bevindt gekoppeld aan het tweede deel, dus bijvoorbeeld philo-posia, drankzucht. Iemand die zich aan de philo-sophia wijdt, is dus iemand die zijn heil graag zoekt in sophia. En wat betekent sophia? In de bijbel der Grieken, het epische tweeluik van Homerus, lezen we al over een timmerman die uitblinkt in werkelijk iedere denkbare sophia, in iedere denkbare váárdigheid dus. Voor timmeren heb je namelijk sophia nodig, en elders bij hem lezen we dat je ook voor zeilen dient te beschikken over sophia, en ook voor onderwijzen heb je sophia nodig, en ja ook voor het leven zelf dien je over sophia te beschikken. Vaardigheid en kundigheid, van wanten weten, van de klok en de klepel, het naadje en de kous en de hoed en de rand: dát zijn de oorspronkelijke betekenissen van sophia, dus het weten hóe.
Vandaar: Filosoferen is leren te leven.

Mijn echtgenote onderging nu ruim een jaar geleden na vage klachten en erger wordende pijnen in haar rug een medisch onderzoek. Het verdict luidde dezelfde dag nog: de ziekte van Kahler, kanker in een vergevorderd stadium, overal in het beenmerg. De klokken luidden meteen al somberzwart en dreigend op de achtergrond; ik leerde in één enkele dag wat het woord ‘verbijsterd’ betekent. Het samen huilen werd al snel opgevolgd door het reflecteren, het waarderen van het leven en het ons opmaken voor de strijd, niet die tegen de kanker – de geest kan dan wel machtiger zijn dan menigeen denkt, een puur chemisch proces valt echt niet tot stilstand te brengen door die uitsluitend te wíllen -, maar tegen de verachting, zowel tegen het cynisme als tegen het omarmen.
            Je wordt wat je kent is ook zo’n gezegde. Maar óók Je kent wat je wordt. En dus dook ik na de eerste ontnuchtering als een ware vlucht in mijn vakgebied, stil als door een achterdeur, als een dief in de nacht, want had ik nou echt niet iets beters te doen? Dingen te doen als reizen, veel luieren, samen genieten van en vooral in andere landen? Nou…, die wensen hadden we allemaal niet. Ons grootste compliment aan het leven was dat we wilden doorleven zoals we al leefden, maar wel met een beetje acceptatie, wat meer gemoedsrust, minimaal met wat geestelijke pleisters.
Ik dook filosofische geschriften in met een gretigheid van een verliefde in zijn dromen. Ik begon bij het begin, bij de Grieken. De aristotelische deugden die van toepassing zouden moeten zijn, misten op mij helaas hun uitwerking: de mufheid van het maathouden en van het Jantje zag eens pruimen hangen stuitte me tegen de borst. Het moest sprankelender, directer ook. De theologale deugden van Aquino als geloof, hoop en liefde bleven me te ver op afstand en bruisten me ook niet genoeg. Bovendien: ik wilde niet knielen, ik wilde vooral rechtóp staan. Ik spitte verder: wat kon Wittgenstein mij vertellen, hoe concreet kon Nietzsche mij toespreken, wat had ik nou aan Kant? Het aloude Gnothi seauton, het ken uzelve, vertelde me dat we allen mensen zijn, geen goden en dus sterfelijk, maar dit wist ik al lang. Alleen Mulisch kon het zich gekscherend (neem ik aan) veroorloven te zeggen dat het feit dat ook hij sterfelijk was, eerst maar eens voor hem bewezen moest worden. Het enige wat ik wilde, was de beste medische verzorging voor mijn vrouw en gemoedsrust voor mezelf. Het eerste lag buiten mijn bereik – overgeleverd aan de medische stand als je dan bent -, het tweede wilde ik zelf vinden.
Ik begon aarzelend eerst óver de stoïcijnen te lezen; ik las dat het voor hen niet uitmaakt of je in een god gelooft, als je er maar van overtuigd bent dat in een fatsoenlijk leven de cultivering van het eigen karakter en de zorg voor de ander en de omgeving centraal staan. Tot mijn vreugde bemerkte ik dat stoïcijnen zich door-en-door democratisch niet uitspreken over onsterfelijkheid en moraal met de daarmee onlosmakelijk verbonden toegangsbewijzen voor een hemel (en over wie wel en wie niet en vooral over het waarom daarvan). Ik las het Encheiridion, daarna de aforismen van Marcus Aurelius, nog later het volledige werk van Epictetus (en wat van Leopold, Spinoza, Seneca en ook van Cicero en natúúrlijk ook van Montaigne – ‘un autre Senèque en nostre langue’ zo in zijn eigen tijd genoemd) en herlas en herlas en bemerkte dat ik langzaam genas van mijn rusteloosheid. Ik merkte dat het gedachtegoed van de stoa als een soort tranquillizer van een te verhitte sensibiliteit kon werken, niet door die af te vlakken, maar door die in een perspectief te plaatsen die een ware en ook diepe gemoedsrust tot gevolg had. Zonder me illusies te maken over de vrije wil kreeg ik het gevoel weer het stuurwiel van mijn leven in handen te hebben, en dat ik van lijder weer geleidelijk leider werd.

Mijn vrouw werd langzaam beter door zeer regelmatig bezoeken aan specialisten af te leggen, door de voorgeschreven medicatie in te nemen, een transplantatie te ondergaan en alle voorschriften in acht te nemen; ik door regelmatig de stoïcijnse filosofie in te duiken en te oefenen, veel te oefenen in deze sophia.
Het stoïcijnse gedachtegoed leerde me dat ik niet door de gebeurtenissen, maar juist door mijn opvattingen over die gebeurtenissen pathos had, leed; dat lijden altijd slechts het gevolg is van onmacht die niet wordt geaccepteerd. De lijder – of de loser – verliest immers altijd van de realiteit (B. Katie omschrijft dit ergens kernachtig als: ‘If you argue with reality, you lose, but … only always’). Hoe om te gaan met de opvatting is de kern (en de opdracht) van de stoa, niet hoe om te gaan met de werkelijkheid.

‘Hoe gaat het met u?’ vroeg de zorgzame specialist mij eens (de zorg voor de partner is inmiddels ook toevertrouwd aan de behandelende arts). ‘Kunt ú wel een beetje omgaan met de … , laat ik zeggen met de situatie?’ Ik antwoordde naar eer en geweten dat ik dat helemaal niet wilde. Op zijn verbaasde blikken volgde een korte, tamelijk ongemakkelijke stilte; ik vroeg hem of hij bij kiespijn zou willen dat de pijn zou overgaan of dat hij liever zou hebben dat hij ermee kon omgaan. Hij zweeg, niet wetende wat hij moest zeggen.
De keer erop had ik voor hem het Encheiridion meegenomen, het zakboekje van Epictetus. Hij had er nog nooit van gehoord, bekende hij grif. Ik vertelde hem dat je vroeger voor je fysieke gezondheid naar iemand zoals hij ging, voor je mentale gezondheid – lees: voor je geluk – naar een filosoof. Hij beloofde me het boekje meteen te gaan lezen en overhandigde mij terloops want schuchter een folder met data waarop gezinsleden van kankerpatiënten samen konden komen voor een workshop getiteld ‘Omgaan met kanker’. ‘Onder het genot van een kopje koffie’ stond er vrolijk bij.
Het zal vast wel een dolle boel geworden zijn daar met al dat koffiegenot, maar ik ben er niet naar toe gegaan. In de zuilengang van mijn filosofie vond ik de handvatten die mij hielpen en mij sereniteit brachten.

Juist omdat we al blij mogen zijn als we in de marge van het leven wat kunnen kleuren, is de filosofie nog steeds, en zéker in tijden van ontkerkelijking en hardnekkige opkomst van waanideeën over een maakbaarheid van het leven, meer en meer nodig, broodnodig (ik aarzel hier om van het bekende ‘brood en spelen’ nu ‘brood en filosofie’ te maken). De wijsheid om in te zien dat er zaken zijn die je niet kunt veranderen, de arète, de moed, om te veranderen wat je wél kunt veranderen, en de sophia om het verschil tussen beide te zien: die drie vormen het startpunt van het filosoferen en zijn tevens de voorwaarde voor een goed leven, namelijk eentje met gemoedsrust.
Met mijn vrouw gaat het inmiddels veel beter; zelf ga ik binnenkort op uitnodiging van haar specialist voor familieleden van patiënten uitleggen wat filosofie voor hen kan doen en wat zij voor mij gedaan heeft.
Hij heeft mij toegezegd er zelf ook bij te zijn.

Met koffie, dat dan weer wel.

 

 

 

Nietzsche

Vandaag gelezen, spreuk nr 5 uit Afgodenschemering (Gotterdammerung):

5. Ik wil eens en voor altijd veen dingen niet weten –
Wijsheid stelt ook grenzen aan kennis.

vond nog een oude zure ingezonden brief

Open sollicitatie

Dit jaar geef ik voor het 32e jaar les op een middelbare school. Alles bij elkaar opgeteld heb ik meer dan 50 jaar ervaring met ons mooie onderwijs; kleuterschool, lagere school, middelbare school, universiteit, later docent op middelbare school en universiteit. Méér dan een halve eeuw ervaringsdeskundigheid dus. Wat ik vooral geleerd heb: het is nú niet goed, maar morgen, ja morgen wordt het al-le-maal beter.!!! Als we maar naar onze (nieuwste) minister luisteren! Terwijl iedereen onderwijsinstituten als Eton en bijvoorbeeld universiteiten als Oxford om hun kwaliteit prijst (waarom zou dat toch zijn?), vinden wij dat onderwijs slechts gebaat is bij grondige veranderingen. Jaarlijks. Iedere, ja werkelijk iedere verandering is op voorhand een verbetering in onderwijsland.
Zo ging het, zo zal het helaas altijd gaan.
Onze minister heeft weer eens zitten denken. En jawel hoor: er is weer een ei van Columbus gevonden. Jaren geleden heeft het ministerie al bedacht dat 12 weken vakantie in het onderwijs een moeilijke rekensom oplevert en heeft dus een volledige baan in het onderwijs bepaald op 1660 uur. Te vullen in 40 weken. Pas nu is men gaan rekenen: 1660 gedeeld door 40 is toch wel wat veel. Weet je wat? We maken van die 40 weken er gewoon 41, dan hebben we een acceptabele uitkomst: 1660 gedeeld door 41 is immers minder! Ja, wat een goed idee: zo werken de leraren één week langer, dus globaal minder hard, dus daar zullen ze allemaal wát blij mee zijn en hebben we weer wat nieuws. Wat slim van deze minister!

Volgende week gaan duizenden leraren staken. Ze zijn het zat. Ze zijn ideeën met een diepgang van een kano zat en ze schamen zich allemaal.

Omdat ik zelf óók niet zo heel slim ben, wil ik ook minister worden. Ik heb voor werkelijk alles een oplossing, ik kijk namelijk óók alleen maar naar de uitkomst op korte termijn. Zo ga ik als minister van verkeer regelen dat we voortaan allemaal niet om 8 uur maar om 5 uur ’s ochtends gaan werken, dan zijn er geen files meer om 8 uur. Opgelost! Veiligheid? Laten we voortaan ook altijd iemand met een bom meesturen in een vliegtuig; de kans dat er twee mensen met een bom zijn, is namelijk nul: nog nooit gebeurd! Dus hoeven we niet meer te controleren en dat scheelt weer tijd en geld. Weer een probleem opgelost. En ik heb nog meer!

En daarom staakt heel onderwijsgevend Nederland. Nee, dus niet alleen om die ene week die we zomaar moeten inleveren (O, wat ben ik toch blij), maar om ons Jip & Janneke – ministerie. Ik schaam me echt voor mijn minister…..
Ik staak dus.

N.B.
Even heb ik gedacht om alle klinkers weg te laten, dan is deze brief namelijk korter (nog best te lezen hoor minister) en dus veel makkelijker te plaatsen.
Hé ….. alweer een goed idee! Zo zijn kranten dunner! En boeken ook! Kunnen leerlingen dus ook méér boeken lezen bij een gelijke hoeveelheid pagina’s!
Ik ga haar meteen mailen!

Zl z brljnt vndn!

Jan Verweij, excellentie-in-spe

docent Filosofie, St.-Odulphuslyceum,
Tilburg.