Ingezonden essay

Jaarlijks schrijft de KHMW samen met NRC in april een essaywedstrijd uit over uiteenlopende actuele vraagstukken. In 2019 is het onderwerp: Welke gevolgen kan de ontdekking van buitenaards leven hebben voor de mensheid?

Welke gevolgen
kan de ontdekking van buitenaards leven hebben voor de mensheid?

– een essay geschreven door Jan Verweij –

Er zijn oneliners die voor altijd in ons collectief geheugen gegrift staan: op 14 december 2003 maakte Paul Bremer op een persconferentie in Bagdad de arrestatie van Saddam bekend met de woorden Ladies and gentlemen, we got him. In ons onverwoestbare geloof in de vooruitgang van de wetenschap gaan we er impliciet vanuit dat er ooit een wetenschapper opgewonden in de media zal verschijnen met de mededeling dat we vanaf nu alles, ja álles weten. Het Ladies and gentlemen … zal overal te horen en te zien zijn. Mensen zullen in blijdschap nu de laatste raadsels van ons leven opgelost zijn de straten oprennen, Museumplein en Times Square zullen volstromen, telefoonlijnen overbezet raken en politici zich hees becommentariëren omdat er geen enkele twijfel meer hoeft te bestaan en het pad der zekerheid voor ons open ligt: alle codes gebroken ofwel god voorgoed gevangen genomen. Precies dezelfde woorden die Bremer ooit bezigde, zullen gebruikt worden om het demasqué van de almachtige van weleer te bezegelen: …we got him!
            Of dit sciëntisme ooit bewaarheid zal worden, betwijfel ik toch. Onze trots dat de gekende wereld de afgelopen eeuwen met reuzensprongen is gegroeid en zoveel terrein op de religie heeft gewonnen – sinds eind vorig jaar zijn in ons land de mensen die zichzelf tot een religieuze stroming rekenen, in de minderheid -, zal bij bewijs van buitenaards leven in mijn ogen een nederlaag gaan lijden die zijn weerga niet kent.
Ooit was het anders, ooit was het leven overzichtelijk. Nog minder dan tweeduizend jaar geleden was er een orde gegeven door de goden, was de kosmos statisch en de aarde het middelpunt. Goden verklaarden in mythen alles, soms met verhalen die weliswaar erg onwaarschijnlijk waren, maar ach, wie maalde daarom? Zo was Heracles een buitenechtelijk kind van Zeus; diens vrouw Hera haatte het kind daarom, maar toen Athene het kind bij Hera bracht, wist ze niet wie hij was en gaf hem uit medelijden de borst. Deze nu zoog zo onstuimig dat hij haar pijn deed en zij hem van zich af duwde, waardoor haar melk de ruimte in spoot en de Melkweg ontstond. Kijk, zo’n verhaal geeft duidelijkheid.
Ook toen die orde vervangen werd door het christendom, het Woord nota bene opeens vlees werd en de mens zichzelf tot de kroon der schepping benoemde, bleef het leven nog lang overzichtelijk. De eerste scheuren in onze gepantserde wereldbeschouwing verschenen pas toen negentien eeuwen later de evolutietheorie irritant roet in het eten gooide en de mens weer met zijn beide voeten tussen de dieren op een aarde zette die zelfs niet eens meer in het middelpunt van het zonnestelsel bleek te staan, zoals Copernicus drie eeuwen daarvoor al bewezen had. Vasthouden aan het oude geloof bleek dweilen met de kraan open toen in het begin van de vorige eeuw Hubble ontdekte dat een sterrenwolk genaamd Andromeda zelfs nog buiten de Melkweg moest liggen; het hek was helemaal van de dam toen óók nog eens bleek dat het heelal niet statisch was, maar razendsnel uitdijde.
En wat zou er gebeuren als er nu ook nog eens buitenaards leven blijkt te bestaan, dus niet alleen materie, maar ook leven, een …. nou ja, een soort mister Spock, een E.T. een…..  tja, ik weet niet hoe hij of zij (of het) eruit zal zien en of je überhaupt wel kunt spreken van een hij of zij (of het).
God geve dat Hij zich niet zal laten ontmaskeren….. toegegeven: hij heeft misschien de afgelopen eeuwen niet goed opgelet, Copernicus door de vingers laten glippen, even niet op het mannetje Darwin gepast, dat ventje Hubble aan zijn aandacht laten ontsnappen en ook Hitler, Stalin, Hoessein en Bin Laden ongezien laten binnenglippen, maar Hij zou Hij niet zijn als Hij niet weer de teugels aantrekt en een goddelijk rookgordijn aanlegt met een grandeur zoals Hij ooit Mozes om de tuin leidde, daar bovenop die berg. Anders zie ik het heel somber in. We leven immers in een wereld waarin al miljoenen jaren alles gericht is op ongelijkheid, op overrompelen, op overwinnen en dan op verder overheersen. The survival of the fittest is niet inclusief de mensheid, het omvat ook het individu. De geschiedenis is één lange aaneenschakeling van menselijk leed aangedaan om in de worsteling de bovenliggende partij te willen zijn. Het achterstellen op basis van geslacht, afkomst, seksuele voorkeur of ras is nog onverminderd aan de orde van de dag. De mensheid verbroederde niet, zij individualiseerde zonder tegenkracht op zo’n wijze dat ‘versplinterde’ een betere formulering is. Dankzij onder andere de VN en de EU is er in de vorige eeuw een wankele balans gekomen en is er een dun en broos laagje vernis aangebracht op onze beschaving en leven wij in Nederland nu al vierenzeventig jaar in vrede, iets wat in de onze hele geschiedenis niet eerder voorkwam. Wat zou er dus gebeuren bij het verschijnen van een in veler ogen nieuwe macht aan de horizon, een allesverscheurende offensieve nieuwe opponent? Ik hoor Trump cum suis al snuivend ronken, maar ik wil er eigenlijk niet eens aan dénken.
Zou het eigenlijk mogelijk zijn, zou er werkelijk buitenaards leven kúnnen zijn? Onze zon is er één van de ongeveer honderd miljard sterren in de Melkweg, die weer hoort bij een groep van andere sterrenstelsels en er zijn nu al zo’n honderd miljard verschillende sterrenstelsel bekend. Of tweehonderd, wat maakt het eigenlijk nog uit. Hoe groot is de kans dan dat er ergens leven bestaat? Geen natuurkundige is er nog te vinden die twijfelt aan het bestaan van een buitenaards leven. En natuurlijk komen ze, natúúrlijk. De vraag is niet óf, maar wanneer. En uiteraard niet met de raket van Kuifje of met een Spoetnik of een Apollo 18, maar ze kómen, want er is meer tussen hemel en aarde.
En wat dan? Onze hoop steeds meer te weten, het geheim van het leven te kunnen ontraadselen, het geloof op een zijspoor te kunnen zetten door rationeel en wetenschappelijk, koel en berekenend, ons zo af en toe met sprongen als er weer een Copernicus, Darwin, Hubble of Einstein opstaat in de vaart der volkeren te laten opstuwen, zal ineenstorten als een slecht gebakken pudding. Niet alleen omdat de kenbare wereld opeens gigantisch zal zijn toegenomen, maar omdat iedereen ervan overtuigd zal raken dat die niet meer kenbaar kán zijn: omdat het heelal steeds sneller uitdijt, zullen sterrenstelsels die we nu nog kunnen waarnemen in de nabije toekomst zó ver van ons verwijderd zijn, dat hun licht ons niet zal bereiken, dat we niet meer over een universum kunnen praten, maar wellicht over een multiversum, verborgen achter een voor ons ondoordringbaar gordijn. De moed zal ons in de schoenen zinken: geen trots van verovering of flow van overwinning vanwege al onze ó zo moderne technologieën, maar de witte vlag van overgave zal het symbool van de mensheid worden, wij zullen weer menselijk worden. Nu niet omdat wij de kroon der schepping zijn, niet omdat wij zo rationeel zijn of zogenaamd een vrije wil hebben, niet omdat wij voortdurend van natuur cultuur maken, maar omdat wij geloven. Geloof is het unieke kenmerk van de mens: geen énkel dier aanbidt namelijk. Bouwkunde, strategisch samenwerken, gereedschapsgebruik of empathie vind je nog wel bij dieren, maar het besef van sterfelijkheid en de kiem van twijfel over wat er achter de horizon ligt, is voorbehouden aan de mens. Geloof zal een nieuwe zekerheid bieden, namelijk dat we niet heer en meester zijn, dat de door ons gekende wereld ó zo klein is, en bescheidenheid, mildheid en de ‘zaligheid van de armen van geest’ zullen weer over ons neerdalen. Gemoedsrust door berusting. God heeft ons gewoon 14 miljard jaar maar wat laten aanrommelen (onverschillig of meedogenloos, kies maar) en nu we dénken dat we zelf bijna god zijn geworden, worden we weer eventjes op ons nummer gezet (welk nummer dat zal zijn, weet ik niet – nee, zeker geen rugnummer 14 -, het is er denk ik een met vele cijfers, met miljarden waarschijnlijk).
En wat dan? Schets ik een positieve ontwikkeling, heeft het geloof ons de afgelopen eeuwen uiteindelijk wel voordeel gebracht? Het antwoord op deze vraag lijkt afhankelijk van de vraag of het geloof er is vanwege een aanname van het bestaan van god, er is vanwege een evolutionaire voordeel of er is vanwege ons erkennen dat we niet alles kúnnen verklaren. Als we ervan uitgaan dat Hij-van-hierboven bestaat, is de vraag naar enig nut van geloof een absurde vraag. Als we ervan uitgaan dat het geloof ons evolutionair voordeel heeft gebracht omdat het ons compassie heeft aangeleerd en daarmee een liefde voor de naaste waardoor we in gemeenschappen gingen leven (wat evolutionair voordeel opleverde omdat het zorgde voor vreedzame beschavingen), gaan we denk ik toch wel een beetje te snel voorbij aan de verschrikkingen die in naam van het geloof óók nog dagelijks aangericht worden. Maar het erkennen dat we niet alles weten, dat er zaken zijn die we niet alleen niet weten maar ook niet kúnnen weten, dat het onkenbare, het onverklaarbare en het ondoordringbare meedogenloos aan het licht is gekomen, zal in mijn ogen de grootste winst zijn: de wereld zal zich weer eensgezind wenden tot de Onnoembare. Daarmee zullen de kunsten overigens ook weer floreren, muziek, literatuur en architectuur gaan nieuwe hoogtepunten kennen, tot alle uitingen daarvan onherroepelijk weer tot afsplitsingen zullen leiden (want veel zal de mensheid niet geleerd hebben). Maar dat is van later zorg, net als de vraag of de institutionalisering positief is. Al in vroeger tijden lag in Delphi de macht niet zozeer bij het orakel als wel bij de priesters, en dat is dan meteen het grote gevaar: de kerk. Laat in godsnaam dus de kerk zijn handen thuis houden, en ik bedoel dat niet alleen cynisch letterlijk, maar vooral figuurlijk: het geloof is te mooi om over te laten aan een kerk en zijn gezagsdragers. Laat overgave, deemoed en niet-weten vrij en onbekommerd weer de wereld heroveren en ieder naar eigen goeddunken dit beleven.
Mijn stelling is dan ook dat we bij het bewijs van buitenaards leven – ik stel voor dat (?) dan prompt de naam Amen te geven – de uitspraak Ladies and gentlemen, we got him nauwkeuriger te formuleren en één woordje aan deze oneliner ter verduidelijking toe te voegen: Ladies and gentlemen, we got Him … back!

 Jan Verweij,
1777 woorden.

 

Geachte heer Verweij,
Hartelijk dank voor uw inzending voor de essayprijsvraag van NRC en KHMW.U wordt eind augustus geïnformeerd over de uitslag. De prijsuitreiking, tevens debatavond, is op maandag 14 oktober a.s. om 20.00 uur in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam, waar alle inzenders van harte welkom zijn.

gedicht van Ilja Pfeijffer over Baudet

Sonnet van de rattenvangers

Nostalgisch zwelgende idiotie
op vleugels van verwaande vanitas
en inspiratie uit het borrelglas
steeg zwalkend op uit de baudetterie

en heel het land greep naar de bokshandschoenen.
Baudet stond voor de spiegel en hij beeldde
zich in hoe hij zijn naakte lichaam streelde.
Hij zou zichzelf van zelfzucht willen zoenen. 

Wie van dit baudettisme wakkerschrok,
had minstens twintig jaren zitten slapen.
De rattenvangers van het ongenoegen
vormden een plaag die door Europa trok
met tegendraadsheid als voornaamste wapen
en die vooreerst vooral elkaar verjoegen.

artikel MESO

Artikel geschreven voor het onderwijsblad MESO:

Onderwijs en Vernieuwing: twee overzijden die elkaar schijnen te vermijden
Jan Verweij, docent filosofie, voormalig lid onderwijs2032

De geoefende poëzie-lezer herkent in de titel enige regels van het gedicht van Martinus Nijhoff.
In onderstaande betoogt Jan Verweij dat er een nieuwe brug nodig is om onderwijs en vernieuwing weer buren te laten worden.

Stelt u zich eens voor: een tijdreiziger uit de 19e eeuw, zeg 1850, landt met een uiterst ingenieus apparaat in onze tijd in een willekeurige stad. Hoe futuristisch zijn tijdmachine voor zijn tijd ook is, hij zal ongetwijfeld zijn ogen uitkijken naar alle vernieuwingen van de laatste decennia, sterker nog: hij zal totaal, maar dan ook totaal ontheemd om zich heen blijven staren, verstard bij het zien van al die onbegrijpelijke innovaties. Waren de trage en geleidelijke ontwikkelingen in de eeuwen vóór zijn tijd nog redelijk bij te houden en te overzien, sindsdien heeft de wereld een complete metamorfose ondergaan. Enigszins tot rust en bedaren gekomen zal hij wat gaan wandelen, zich verbazen en verwonderen tot er opeens, ja opeens een gulle glimlach op zijn gezicht zal verschijnen, want één maatschappelijk instituut dat hij opmerkt, herkent hij onmiddellijk: de school!

Zestig jaar geleden ging ik voor het eerst naar school, ik was vier jaar oud. De kleuterschool heette dat toen nog. Juffrouw Roos was mijn eerste liefde. We zaten in drie rijen, de klas kende 32 leerlingen; jaren later kregen we 15 vakken, hadden we drie proefwerkweken per jaar, moest ik één keer een heel jaar overdoen omdat ik twee of drie vakken niet voldoende beheerste, en werd het hoogtepunt van het jaar de buitenlandse reis.
Ik ben (toch) het onderwijs ingegaan en ik geef nog steeds enthousiast les aan …. 32 leerlingen in 3 rijen, die 15 (dezelfde) vakken krijgen, die nog steeds een heel jaar moeten overdoen als ze …etc etc.

Die twee gegevens zijn op zich al frappant, nóg frappanter is het dat collega’s in het veld klagen over de vele en de snelle veranderingen in het onderwijs. ‘Laat het onderwijs eens met rust’ is de tekst op menige grafsteen van álle vruchteloze pogingen tot onderwijsvernieuwing. Met vele uitroeptekens erachter. En in kapitalen.
Het onderwijs dat zich – in mijn ogen – niet zó zou moeten inrichten dat het leerlingen opleidt om naadloos de maatschappij in te schuiven, maar juist leerlingen dient op te leiden om een nieuwe maatschappij te creëren, gedraagt zich hopeloos conservatief. Heine zei het naar verluidt al: als de wereld vergaat, vlucht dan naar Nederland, want daar gebeurt alles 50 jaar later. Ik ben benieuwd hoeveel tijd hij in zijn advies zou geven als hij naar het onderwijs had gekeken.

Bij de start van onderwijs2032 in 2015 voelden we ons gesterkt door talloze ontwikkelingen die ons het momentum aangaven: de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid adviseerde indertijd al met klem dat er snel aandacht voor vaardigheden moest komen, uitkomsten van discussies naar aanleiding van Het Alternatief pleitten unaniem voor meer verdieping met meer horizontale integratie, de SLO ageerde fel tegen methodeslavernij en de Onderwijsraad hamerde op een radicale curriculumvernieuwing. Het momentum was daar, aan de horizon gloorde de bereidheid een fundamentele discussie aan te gaan. Het jaartal 2032 namen we niet alleen veiligheidshalve op als stip aan de horizon, leerlingen die in het jaar van start van onderwijs2032 geboren werden, gaan immers dán hun eindexamen doen.
We gingen voortvarend aan de slag. We spraken met meer dan tienduizend leraren (we kennen immers in Nederland 16 miljoen bondscoaches, we gingen er vanuit dat er net zoveel onderwijsdeskundigen rondlopen), we liepen deuren van raden, organisaties en overkoepelende instituten plat; we studeerden, lieten ons leiden door deskundigen, betrokken leerlingen erbij door adviesvangers op te leiden, we publiceerden regelmatig over de voortgang en we kwamen uiteindelijk tot een afrondend advies. Ja, de vuilspuiterij die twitter heet, liep af en toe roodgloeiend aan, de naam van de voorzitter (Paul Schnabel) werd verbasterd totdat de ó zo ludieke naam Schnabeltjeskrant het leven zag en de BON zaagde onvermoeibaar door aan alle stoel- en tafelpoten. Maar geen nood: op vleugels van het momentum weet u nog wel?

We kwamen zo tot een advies, ik herhaal de punten hier maar niet uitgebreid – ze zijn genoegzaam bekend omdat ze zo sober zijn (onder andere aandacht voor méér persoonsvorming naast de kwalificatie en de socialisatie, een vaste basis genaamd kerncurriculum met Nederlands, Engels, rekenvaardigheid (inclusief wiskunde), digitale geletterdheid en burgerschap als verplichte onderdelen,  drie leerdomeinen (Mens & Maatschappij, Natuur & Technologie, Taal & Cultuur), een grotere rol voor Engels in het basisonderwijs en aandacht voor zowel meetbare als ‘merkbare’ leeropbrengsten)-, maar ik licht er ééntje uit omdat die zo exemplarisch is voor wat er verder gebeurde. We adviseerden de vakken Frans en Duits af te schaffen als verplichte vakken. Let wel: als verplichte vakken (geen gymnasium zal het (terecht) in zijn hoofd halen de vakken te schrappen, geen vervolgonderwijs in het oosten van het land zal Duits verwijderen, maar waarom toch voor iedereen – ook voor allochtonen voor wie die vakken onoverkomelijke hindernissen zijn – deze vakken nog verplicht stellen?).
De vakgroep Duits was het met ons eens. Wat betreft Frans.
De vakgroep Frans was het met ons eens. Wat betreft Duits.
Naarmate we verder en verder kwamen en voorzichtige conclusies presenteerden, schoven de achterste rijen leraren die met de armen over elkaar mopperden dat hun nog niets gevraagd was, langzaam op naar voren. Tweehonderdvijftigduizend werknemers in het onderwijs: we kwamen er achter dat we ze nooit zouden kunnen bereiken. Lubach koos het advies uit als schietschijf op de zondagavond en het momentum begon langzaam te verschuiven naar de einder; een journalist in De Correspondent kwam zelfs met de complottheorie dat alles allang bekokstoofd was en onderwijs2032 slechts een smoesje was: architect (lees SLO en het ministerie) en metselaar zouden één zijn! Elvis schijnt ook nog ergens te leven.
Wat was er toch gebeurd?

In mijn lessen filosofie leg ik mijn leerlingen het prisoner’s dilemma uit: het verschijnsel dat niemand meteen kiest voor het objectieve goede, maar eerder voor het subjectieve betere. Vele, ja bijna alle maatschappelijke problemen zijn het gevolg van deze houding, van het klimaatprobleem en de overbevissing van de zeeën tot onze fileproblemen. Meestal leg ik het dilemma uit met behulp van de bezette ligstoelen in de resorts: ’s ochtends om half 9 bestormen vaders het zwembad om voor de hele dag 4, 5 of 6 stoelen te claimen (want anderen doen dat immers ook!).
Ik heb sinds ik aan onderwijs2032 meewerkte een nieuw voorbeeld: het onderwijs.

Zolang democratisch gevraagd wordt aan leraren hoe en wat, bewaakt ieder het eigen territorium; zolang eigenaarschap over de lessen gezien wordt als eigenaarschap over het onderwijs, zal er niets, helemaal niets veranderen.
Schaar ik me met deze opmerking bij de groep cynici die helaas ook in het onderwijs (spaarzaam) te vinden is? Welnee, zeker niet.

Als vakdidacticus vraag ik mijn studenten te dromen onder het motto van Loesje ‘bedenk het eens wél zo gek’. Geen student komt op een onderwijs zoals we dat nu kennen. Als leraar vraag ik collega’s wel eens te dromen en te wensen: niemand komt uit op de huidige situatie, zelfs in de verste verte niet! Overeenstemming is er wel, zolang de ander (lees: een ander vak) er niet beter van wordt.

Deze patstelling dient doorbroken te worden. Nu de onderwijscoöperatie is begraven (ik weet: juist deze organisatie trok het plan noodgedwongen terug), is Alexander Rinnooy Kan druk bezig een nieuwe opzet te maken zodat de beroepsgroep eindelijk weer een vertegenwoordiging heeft die aanspreekbaar is (en ook iets zinnigs kan en mag zeggen over kwaliteitsbewaking) en dán…., ja dan zal blijken dat onderwijs2032 rimpels heeft veroorzaakt en dat curriculum.nu een golfbeweging in gang zet: 150 inspirerende leraren van 84 scholen zijn immers bezig met een concrete uitwerking van het curriculum! Maar eerst is een vertegenwoordiging met gezag nodig, een platform van de beroepsgroep van, voor en door ons allen (ja, die formulering van onderwijscoöperatie blijf ik toch maar even gebruiken).

De onmacht van ons docenten iets te doen aan het lerarentekort – om maar eens een ander probleem bij de horens te vatten (welke beroepsgroep staat toe dat er soms wel 30% van het werk verricht wordt door onbevoegden?) – is een teken aan de wand: wij hebben geen zorg voor het onderwijs, wij hebben allemaal als gevangene zorg, véél te veel zorg en aandacht voor ons eigen vak, we willen het betere zonder het goede na te streven: zolang wij dat niet inzien, kan de tijdreiziger van 2018 rustig nog een kopje koffie gaan drinken: maakt niet uit wanneer hij gaat (en komt).

Tot die tijd geef ik vrolijk en vooral enthousiast les aan tweeëndertig leerlingen, in drie rijen, met drie proefwerken, krijgen ze 15 losse vakken en moeten ze als ze twee of drie vakken …… nee, dat is toch weer een te cynische afsluiting, daarvoor ben ik te blij ooit het onderwijs in te zijn gegaan, daarvoor houd ik veel te veel van het onderwijs, zelfs méér dan van mijn eigen vak (tenminste, dat probeer ik).

 

PRIMA ONDERWIJS

Voor het magazine Prima Onderwijs het volgende geschreven:

Jan Verweij is docent Humaniora – Filosofie

‘Mijn voornemen: meer pluimen en minder rode pennen!
Na 40 jaar onderwijs neem ik me eindelijk voor af te stappen van al die malle toetsen. Kijk naar een gemiddelde 3 vwo leerling die 15 (!) vakken heeft, van 15 docenten die allemaal vinden dat ze aan het einde van het jaar minstens 10x getoetst moeten hebben. Bereken dan eens hoeveel dagen zij les hebben (37 weken van 5 dagen) en je ziet meteen dat het bijna iedere dag prijs is.
Nu het eindexamen nog….weg ermee! In geen enkele opleiding is er een centrale afsluiting die weken en weken aan lestijd kost, die gebaseerd is op wantrouwen of op een vermoeden van onkunde. Inderdaad: weg ermee. The tail is wagging the dog – een goede vertaling in de vorm van een gezegde ken ik niet – maar dat het eindexamen de inhoud van de inhoud stuurt in plaats van andersom, lijkt me wel duidelijk. En als er dan toch wordt getoetst? Dan ben ik voor pluimen en tégen de rode pennen. Hier in de personeelskamer zie ik nog vaak genoeg collega’s strepen met dat agressieve rood.
ER MOET STRENGER BELOOND WORDEN!
Ik ben het met Loesje eens.’

ingezonden essay

Essay in het kader van de wedstrijd ‘De kracht van de academische filosofie’

De Nederlandse Onderzoeksschool Wijsbegeerte
en
Filosofieblog Bij Nader Inzien

Filosoferen is leren te leven.

Doordachte aforismen hebben de kracht van sensatie. Hun omkering wekt wellicht juist daardoor vaak een vorm van weerstand op (analoog aan talent en genie, zo vermoed ik). Natuurlijk is de uitspraak ieder nadeel heb zijn voordeel veel mooier dan ieder voordeel heb zijn nadeel en is waarover je niet kunt spreken, daarover moet je zwijgen veel sprankelender dan waarover je niet kunt zwijgen, daarover moet je juist filosoferen. Toch geef ik het voordeel van de twijfel vaak aan de omkering of variatie. Variëren op een thema is immers per definitie buiten al aangegeven lijnen kleuren. Smaken verschillen vind ik mooi, nóg mooier vind ik dus Verschillen smaken omdat het oorspronkelijke gezegde erin opgesloten zit: twee voor de prijs van één zou je kunnen zeggen (over ik ben, dus ik denk héb ik het nog niet eens!).

Tijdens mijn studie is de uitspraak Filosoferen is leren te sterven zó vaak voorbijgekomen, dat ik bij god niet meer weet van wie die afkomstig is: van Plato, of wellicht van Cicero, misschien toch van Montaigne? Ik weet het niet, ik ga het ook niet opzoeken, het is van geen belang. Maar sinds een jaar hangt er boven mijn bureau de tekst Filosoferen is leren te leven. Die is van mezelf. Een tegeltjeswijsheid als een koe (om in gebrekkig Nederlands de waarheid hiervan maar eens aan te duiden). Ik geef grif toe: de geschiedenis zal ik er niet groots en meeslepend mee ingaan en hierom zal ik later zéker niet als diep denker herinnerd worden, maar toch…
Filosoferen wordt vaak gezien als een elitaire, academische, van ieder nut en zin ontblote bezigheid. Het is hoogstens een aardig tijdverdrijf, verder is het machteloos en geheel tandeloos (hoe anders vond keizer Domitianus dit in 89 na Chr. door werkelijk álle filosofen uit Rome te verbannen!). Het huidige waarderen van de maatschappelijke relevantie kwam voor mij schrijnend tot uiting in de kwalificatie die ik van mijn vrienden hoorde toen ik hun vertelde wat ik ging studeren: ‘veredeld hobbyisme;’ en ook dat ik me vooral niet hoefde te schamen hoor, dat mijn ouders dat wel voor mij zouden doen. Filosofen koesteren bovendien ook nog eens zelf, hoog verheven in hun ivoren torens, dat vooroordeel, vaak geheimzinnig en wat meewarig glimlachend om alle niet-filosofen die toch niet bij machte zijn het Grote Geheim dat hun wél geopenbaard is, te doorgronden. Net zoals het begrip democratie populistisch is vervlakt tot ‘de meerderheid mag het zeggen,’ zien we dat de term filosofie langzaam verwaterd is tot ‘kritisch nadenken’ (welke wetenschap doet dit nou niet?) of erger nog tot ‘houden van wijsheid.’ Ik zeg ‘verwaterd’ inderdaad, want dat beklijft niet, het glipt je door de vingers en uiteindelijk verdampt het. Houden van wijsheid: tja, wie doet dat niet? Wie zegt ‘doe mij maar domheid?’ Het is als de waarschuwing om niets overhaast te doen of de opmerking op=op: beide zijn nietszeggend en hebben een diepgang van een kano en een air van quasi-diepzinnigheid.
Laten we voor een goed begrip teruggaan naar de bron, de etymologie. Het woord filosofie komt van twee Griekse woorden, namelijk philo en sophia. Het eerste deel geeft een gesteldheid aan waarin iemand zich graag bevindt gekoppeld aan het tweede deel, dus bijvoorbeeld philo-posia, drankzucht. Iemand die zich aan de philo-sophia wijdt, is dus iemand die zijn heil graag zoekt in sophia. En wat betekent sophia? In de bijbel der Grieken, het epische tweeluik van Homerus, lezen we al over een timmerman die uitblinkt in werkelijk iedere denkbare sophia, in iedere denkbare váárdigheid dus. Voor timmeren heb je namelijk sophia nodig, en elders bij hem lezen we dat je ook voor zeilen dient te beschikken over sophia, en ook voor onderwijzen heb je sophia nodig, en ja ook voor het leven zelf dien je over sophia te beschikken. Vaardigheid en kundigheid, van wanten weten, van de klok en de klepel, het naadje en de kous en de hoed en de rand: dát zijn de oorspronkelijke betekenissen van sophia, dus het weten hóe.
Vandaar: Filosoferen is leren te leven.

Mijn echtgenote onderging nu ruim een jaar geleden na vage klachten en erger wordende pijnen in haar rug een medisch onderzoek. Het verdict luidde dezelfde dag nog: de ziekte van Kahler, kanker in een vergevorderd stadium, overal in het beenmerg. De klokken luidden meteen al somberzwart en dreigend op de achtergrond; ik leerde in één enkele dag wat het woord ‘verbijsterd’ betekent. Het samen huilen werd al snel opgevolgd door het reflecteren, het waarderen van het leven en het ons opmaken voor de strijd, niet die tegen de kanker – de geest kan dan wel machtiger zijn dan menigeen denkt, een puur chemisch proces valt echt niet tot stilstand te brengen door die uitsluitend te wíllen -, maar tegen de verachting, zowel tegen het cynisme als tegen het omarmen.
            Je wordt wat je kent is ook zo’n gezegde. Maar óók Je kent wat je wordt. En dus dook ik na de eerste ontnuchtering als een ware vlucht in mijn vakgebied, stil als door een achterdeur, als een dief in de nacht, want had ik nou echt niet iets beters te doen? Dingen te doen als reizen, veel luieren, samen genieten van en vooral in andere landen? Nou…, die wensen hadden we allemaal niet. Ons grootste compliment aan het leven was dat we wilden doorleven zoals we al leefden, maar wel met een beetje acceptatie, wat meer gemoedsrust, minimaal met wat geestelijke pleisters.
Ik dook filosofische geschriften in met een gretigheid van een verliefde in zijn dromen. Ik begon bij het begin, bij de Grieken. De aristotelische deugden die van toepassing zouden moeten zijn, misten op mij helaas hun uitwerking: de mufheid van het maathouden en van het Jantje zag eens pruimen hangen stuitte me tegen de borst. Het moest sprankelender, directer ook. De theologale deugden van Aquino als geloof, hoop en liefde bleven me te ver op afstand en bruisten me ook niet genoeg. Bovendien: ik wilde niet knielen, ik wilde vooral rechtóp staan. Ik spitte verder: wat kon Wittgenstein mij vertellen, hoe concreet kon Nietzsche mij toespreken, wat had ik nou aan Kant? Het aloude Gnothi seauton, het ken uzelve, vertelde me dat we allen mensen zijn, geen goden en dus sterfelijk, maar dit wist ik al lang. Alleen Mulisch kon het zich gekscherend (neem ik aan) veroorloven te zeggen dat het feit dat ook hij sterfelijk was, eerst maar eens voor hem bewezen moest worden. Het enige wat ik wilde, was de beste medische verzorging voor mijn vrouw en gemoedsrust voor mezelf. Het eerste lag buiten mijn bereik – overgeleverd aan de medische stand als je dan bent -, het tweede wilde ik zelf vinden.
Ik begon aarzelend eerst óver de stoïcijnen te lezen; ik las dat het voor hen niet uitmaakt of je in een god gelooft, als je er maar van overtuigd bent dat in een fatsoenlijk leven de cultivering van het eigen karakter en de zorg voor de ander en de omgeving centraal staan. Tot mijn vreugde bemerkte ik dat stoïcijnen zich door-en-door democratisch niet uitspreken over onsterfelijkheid en moraal met de daarmee onlosmakelijk verbonden toegangsbewijzen voor een hemel (en over wie wel en wie niet en vooral over het waarom daarvan). Ik las het Encheiridion, daarna de aforismen van Marcus Aurelius, nog later het volledige werk van Epictetus (en wat van Leopold, Spinoza, Seneca en ook van Cicero en natúúrlijk ook van Montaigne – ‘un autre Senèque en nostre langue’ zo in zijn eigen tijd genoemd) en herlas en herlas en bemerkte dat ik langzaam genas van mijn rusteloosheid. Ik merkte dat het gedachtegoed van de stoa als een soort tranquillizer van een te verhitte sensibiliteit kon werken, niet door die af te vlakken, maar door die in een perspectief te plaatsen die een ware en ook diepe gemoedsrust tot gevolg had. Zonder me illusies te maken over de vrije wil kreeg ik het gevoel weer het stuurwiel van mijn leven in handen te hebben, en dat ik van lijder weer geleidelijk leider werd.

Mijn vrouw werd langzaam beter door zeer regelmatig bezoeken aan specialisten af te leggen, door de voorgeschreven medicatie in te nemen, een transplantatie te ondergaan en alle voorschriften in acht te nemen; ik door regelmatig de stoïcijnse filosofie in te duiken en te oefenen, veel te oefenen in deze sophia.
Het stoïcijnse gedachtegoed leerde me dat ik niet door de gebeurtenissen, maar juist door mijn opvattingen over die gebeurtenissen pathos had, leed; dat lijden altijd slechts het gevolg is van onmacht die niet wordt geaccepteerd. De lijder – of de loser – verliest immers altijd van de realiteit (B. Katie omschrijft dit ergens kernachtig als: ‘If you argue with reality, you lose, but … only always’). Hoe om te gaan met de opvatting is de kern (en de opdracht) van de stoa, niet hoe om te gaan met de werkelijkheid.

‘Hoe gaat het met u?’ vroeg de zorgzame specialist mij eens (de zorg voor de partner is inmiddels ook toevertrouwd aan de behandelende arts). ‘Kunt ú wel een beetje omgaan met de … , laat ik zeggen met de situatie?’ Ik antwoordde naar eer en geweten dat ik dat helemaal niet wilde. Op zijn verbaasde blikken volgde een korte, tamelijk ongemakkelijke stilte; ik vroeg hem of hij bij kiespijn zou willen dat de pijn zou overgaan of dat hij liever zou hebben dat hij ermee kon omgaan. Hij zweeg, niet wetende wat hij moest zeggen.
De keer erop had ik voor hem het Encheiridion meegenomen, het zakboekje van Epictetus. Hij had er nog nooit van gehoord, bekende hij grif. Ik vertelde hem dat je vroeger voor je fysieke gezondheid naar iemand zoals hij ging, voor je mentale gezondheid – lees: voor je geluk – naar een filosoof. Hij beloofde me het boekje meteen te gaan lezen en overhandigde mij terloops want schuchter een folder met data waarop gezinsleden van kankerpatiënten samen konden komen voor een workshop getiteld ‘Omgaan met kanker’. ‘Onder het genot van een kopje koffie’ stond er vrolijk bij.
Het zal vast wel een dolle boel geworden zijn daar met al dat koffiegenot, maar ik ben er niet naar toe gegaan. In de zuilengang van mijn filosofie vond ik de handvatten die mij hielpen en mij sereniteit brachten.

Juist omdat we al blij mogen zijn als we in de marge van het leven wat kunnen kleuren, is de filosofie nog steeds, en zéker in tijden van ontkerkelijking en hardnekkige opkomst van waanideeën over een maakbaarheid van het leven, meer en meer nodig, broodnodig (ik aarzel hier om van het bekende ‘brood en spelen’ nu ‘brood en filosofie’ te maken). De wijsheid om in te zien dat er zaken zijn die je niet kunt veranderen, de arète, de moed, om te veranderen wat je wél kunt veranderen, en de sophia om het verschil tussen beide te zien: die drie vormen het startpunt van het filosoferen en zijn tevens de voorwaarde voor een goed leven, namelijk eentje met gemoedsrust.
Met mijn vrouw gaat het inmiddels veel beter; zelf ga ik binnenkort op uitnodiging van haar specialist voor familieleden van patiënten uitleggen wat filosofie voor hen kan doen en wat zij voor mij gedaan heeft.
Hij heeft mij toegezegd er zelf ook bij te zijn.

Met koffie, dat dan weer wel.

 

 

 

niet ingezonden essay’s 2 en 3

NIET INGEZONDEN 2:

Essay ‘De kracht van de academische filosofie’

Geen Woorden Maar Daden, een sprookje

Als Feyenoord-fan kost het neerschrijven van bovenstaande Gouden Woorden mij uiteraard geen enkele moeite (ze uitspreken ontroert mij na zovele jaren nog steeds, ze zingen zal ik nooit doen: dat is voor de barbaren), het vervult mij juist met trots. De waarheid dient hier immers maar eens klip en klaar gezegd: filosoferen is een Rotterdamse uitvinding. In de stad aan de Maas waar zoals bekend de overhemden al met opgestroopte mouwen over de toonbank gaan, heeft de wieg van de filosofie gestaan, en nergens anders. Dat befaamde Griekse wonder waarbij meer dan 2000 jaar geleden rede en twijfel de plaats innamen van geloof en zekerheid, kan geschrapt worden uit Het Grote Geschiedenisboek en bijgezet bij andere misvattingen zoals dat Caesar ooit keizer was, de Rijn bij Lobith ons land binnenkomt en de Tachtigjarige Oorlog tachtig jaar duurde. Filosofie is Rotterdams, want in wezen áltijd praktisch en met een groot maatschappelijk engagement. Weliswaar zijn er in het verleden filosofen geweest die getwist hebben over de vraag hoeveel engelen er op de punt van een naald passen, hoe oud je in de hemel bent en waar je was nog vóór je grootouders geboren waren, maar die dien je allemaal, niet één uitgezonderd, ver en ver buiten Rotterdam te zoeken (ergens ver weg in de gemeente Neuzelarij in de provincie Haarkloverij, zo vermoed ik). Filosoferen gaat over hoe te leven, hoe het leven in te richten en wat met het leven aan te vangen: het leidt ons over het smalle pad dat de ironische distantie van het enthousiasme scheidt, zorgvuldig balancerend tussen een te veel en een te weinig. Enthousiasme – het begrip komt van het Griekse enthousiasmos en betekent dat de god in je komt – leidt in zijn meest pure vorm altijd tot kokervisie, tot verstarring, tot het zékere weten, terwijl ironische distantie – het op een afstand beschouwen met het duo mits en tenzij als een soort Romulus en Remus als oorsprong – de sturende kracht is tot overrelativering. Enthousiasme heeft de belofte in zich ons te leiden naar ongekend mooie utopieën die, zoals wij allen weten, altijd uitmonden in dystopieën; de talrijke onderwijshervormingen, nagenoeg álle ICT-initiatieven bij de overheid, de Betuwelijn en de Amsterdamse Noord-Zuidlijn zijn maar enkele sprekende voorbeelden van een afwezigheid van tegenspraak en dus van het over de balk gooien van vele miljarden. Maar ironische distantie in ongemengde vorm kent louter cynisme als eindpunt, en dus valt er met dragers van een ongedeeld enthousiasme niet te communiceren, maar met hen die alles ironiseren helaas evenmin. Uit deze twee uitersten dienen we er niet één te kiezen, maar een bloeiende en inspirerende synthese in een optimale verhouding te bereiden: ware wijsheid floreert niet alleen bij tegenspraak, maar vereist die, en wel onvoorwaardelijk.

Zoals je geen Feyenoord-fan bent voor je lol, zo dient het leven ons zich ook niet all-inclusive, à la carte en vooral niet gratuit aan: er is voortdurend werk aan de winkel, het omsmeden van natuur in cultuur gaat nou eenmaal niet vanzelf, een wankel evenwicht tussen de hierboven genoemde houdingen dient eerst nauwkeurig gezocht en bepaald en dan nauwgezet behouden te worden, vandaar de misschien wat curieuze, maar o zo treffende titel: Geen Woorden Maar Daden.

‘Maar het bekende ‘Ken u zelve’ dan?’ hoor ik een old-school filosoof nog vertwijfeld uitroepen. Ja, hij heeft gelijk. Maar die aansporing om vooral toch bescheiden en realistisch te zijn – meer is die niet hoor -, dient gezien te worden als niet meer dan de proloog van de Tour philosophique; de christelijke herformulering ‘zalig zijn de armen van geest’ is er een uitwerking van: alleen zij die weten dat ze in wezen niets weten, kunnen zalig zijn. Het gnothi is aldus hoogstens een aanzet, een tegeltjeswijsheid avant la lettre van Apollo. Zou ik de geschiedenis mogen herschrijven, dan zouden er in Delphi boven zijn tempel – ik zou die bij de bouw al meteen de meest koninklijke naam De Kuip gegeven hebben – in de architraaf de woorden Geen Woorden Maar Daden gebeiteld strálen. Eens kijken hoe de wereld van nu er dán had uitgezien!

Er was eens een land waar sprookjes nog bestonden, waar mensen niet alleen elkaar verhalen vertelden over koningen, prinsen en prinsessen, maar waar die ook daadwerkelijk leefden: zij woonden in grote kastelen, droegen een kroon en hadden lakeien. Vaak ging de koning op pad en soms nam hij dan een koets, een gouden natuurlijk. De mensen vonden dat heel gewoon, maar toch ook heel bijzonder: ze gingen dan uren en uren langs de kant van de weg staan en zwaaiden met vlaggetjes net zolang totdat de koning weer uit zicht was. Dat waren niet de domste mensen hoor, ook de hele volksvertegenwoordiging en alle ministers riepen eenmaal per jaar in september ‘léve de koning, hoezee’ en dat laatste dan wel drie keer heel luid (J.M, een van de leden van politieke partij SP, had later toen hij al met pensioen was, wel stoer bekend dat hij dan altijd heimelijk ’léve de koning, hoezo, hoezo, hoezo?’ had geroepen, maar hij was een uitzondering gebleven: zijn Splinter Partij had nooit veel te vertellen gehad en hij was ook nooit minister geworden). In dat land, waar de criminaliteit laag was en de welvaart hoog, waar voor iedereen werk was en een scala aan mogelijkheden om zich te ontplooien voor het oprapen lag, waar aandacht was voor elkaar, voor kunst, voor spiritualiteit en voor sport, waar vrede en welzijn voor de komende eeuwen verankerd leken, kortom in een land waar werkelijk iedereen graag woonde, was eens een fee verschenen. Ze was in het blauw gekleed, werkelijk beeldschoon met een engelengezichtje en had twee fijne, doorschijnende vleugeltjes. Zoals wel vaker het geval, leek ze onschuldiger dan ze in werkelijkheid was. Ze vroeg namelijk aan De Gemiddelde Inwoner van dat land of hij een wens had. Zij kon er op één voorwaarde namelijk voor zorgen dat die wens onvoorwaardelijk werkelijkheid zou worden. Een beetje wantrouwig vroeg de aangesprokene natuurlijk meteen wat die voorwaarde dan wel was. Zij antwoordde quasi onschuldig maar ó zo vilein dat ieder ander het dubbele zou krijgen van wat hij wenste. Ga daar maar eens aanstaan: een wens te formuleren die zodanig is dat hij jou en alle anderen zou kunnen behagen! De Gemiddelde Inwoner dacht maar héél even na en antwoordde toen zonder enige schroom, met een zelfverzekerdheid die zelfs de fee verbaasde: ‘Dan wens ik één oog minder.’ De fee vervulde meteen geschokt de wens zoals zij beloofd had.

Wat hier gebeurt, staat bekend als het prisoner’s dilemma, zo genoemd níet omdat het bekende voorbeeld daarvan over twee gevangenen gaat, maar omdat wij allen gevangenen zijn van ons streven het in ieder geval beter – zéker niet slechter – te willen hebben dan de ander. Dat het gevolg van ons handelen dan weliswaar relatief beter, maar absoluut vaak slechter is, nemen we graag op de koop toe: eenoog blijft ziende achter in een land van uitsluitend blinden en wordt zo de nieuwe koning.

De fee vertrok, niet zelf vliegend met haar doorschijnende vleugeltjes hoor, maar gewoon richting Rotterdam Airport. Op de weg daarnaartoe verbaasde ze zich over al het drukke verkeer; in de aankomsthal bezag ze met stijgende verbazing het gedrang rond de band waarop de bagage werd aangevoerd. Ze bedacht dat als iedereen één meter van de band verwijderd zou blijven, iedereen een goed zicht en ook ruimte genoeg heeft om de eigen koffer aan te nemen; de ene persoon die dat patroon doorbreekt en een stap naar voren zet, zet een keten in werking die voor iedereen absoluut slechter is, maar waarbij die ene persoon zich in ieder geval éven relatief beter positioneert.

Het niet slechter willen hebben en het juist beter willen hebben dan de ander vormen de twee zijden van één en dezelfde munt die ons handelen aanstuurt. Dankzij die munt floreert de postcodeloterij omdat niemand het risico wil lopen dat de prijs alleen de buren in de schoot zal vallen, dankzij die munt strandt een groot deel van de eerstejaars-studenten het eerste jaar al omdat een nóg betere optie gloort en lopen zovele huwelijken spaak omdat keer op keer een ander zich aandient met een kortstondige belofte het leven langdurig te veraangenamen.

Wij willen het in Rotterdam niet beter, wij willen het gewoon goed. ‘Beter’ ligt namelijk niet op, maar naast het pad dat naar het goede leidt. Hier weten we dat en hier praktiseren we dat onder het motto ‘geen woorden, maar daden’. Eén keer in de zoveel jaar kampioen worden is goed, als onze mooie Van Brienenoord te krap wordt, gaan we niet voor beter, maar leggen we er gewoon een tweede naast en als ons Boijmans van Beuningen aan renovatie toe is, fiksen we die in minder dan één jaar (vergelijk dat eens met een heel decennium voor het Rijksmuseum). Goed is bij ons namelijk goed. Dat is Rotterdams. De enige manier om aan het principe van het prisoner’s dilemma te ontsnappen is om in te zien dat je niet alleen bent, dat het geheel méér is dan de som der delen en dat je dus op basis van wederkerigheid aan gevoelens van loyaliteit, betrouwbaarheid en sportiviteit de voorrang moet geven boven een kortstondig en vals eigenbelang.

‘Beter is de Vijand van Goed’ stond er op een tegeltje dat vroeger al in het ouderlijk huis hing, links bij de trap. Ik snapte het toen niet, omdat ik dacht dat het ergens tussen goed en best in lag, maar ik ben er inmiddels van overtuigd (de schoonheid van het onvolmaakte bestaat overigens ook alleen maar bij de gratie van het goede). Alleen dat egocentrisch denkende en calculerende zakenmannetje dat wij allemaal in ons hoofd hebben en ons gladjes en valsjes voorhoudt dat je niet ziek hoeft te zijn om beter te willen worden, houdt óns gevangen en levert ons niets anders dan een dilemma waar we niet een-twee-drie uitkomen. Het diepe inzicht dat we het helemaal niet beter moeten willen, maar enkel naar het goede moeten streven – de vaak fragiele balans tussen enthousiasme en ironie vasthoudend – is moeilijk: daar moet je namelijk aan wérken, daarvoor moet je de mouwen opstropen – als je je overhemden tenminste niet zo al gekocht hebt – en dan de handen aan elkaar geven.

De fee met het engelengezichtje zag het geheel aan en ging bedachtzaam zitten. Zachtjes neuriede ze voor zich uit ‘Hand in hand, kameraden…’, en dat ook nog op een wel heel erg mooie melodie. Ja, laat dat maar met een gerust hart aan feeën over.

 

NIET INGEZONDEN 3:

Het Nut en de Noodzaak van Academische Filosofie

Wie vraagt naar nut en noodzaak van iets, veronderstelt niet alleen dat die twee daadwerkelijk bestaan, maar ook dat niet iedereen a priori hiervan overtuigd is. Wie deze vraag zo stelt, vraagt dus in wezen naar overtuigingskracht. Natuurlijk kunnen we als het om de maatschappij gaat waarvoor zij overtuigend aangetoond dienen te worden, die interpreteren als een totum pro parte en verwijzen naar Plato’s woorden dat een niet-doordacht leven niet waard is om geleefd te worden, maar dat is misschien iets te kort door de bocht. Filosofen eigen is het om eerst nader de vraagstelling te onderzoeken: als iets nut heeft, is dan de noodzaak meteen al gegeven, en als iets noodzakelijk is, is dan het nut meteen al gegeven? Maar zoals de vraag nu gesteld is, lijkt de vraag tweeledig. Eerst het nut dan maar.

Godzijdank heeft filosofie volstrekt geen nut. Geen enkel. Nul procent. Had zij die wel, dan zou zij haar eigenheid immers meteen kwijt zijn, namelijk het streven om niets met zekerheid te willen weten: herroepelijkheid – om maar een net geboren neologisme hier ten doop te houden – is samen met verschilligheid met de filosofie meegebakken. Filosoferen is het zekere weten te vermijden sprak Cornelis Verhoeven ooit al. Het eenduidig één richting opgaan, één doel hebben en één eindresultaat nastreven die alle in dienst kunnen staan van een groter geheel – als onwrikbare bouwstenen in een redenering of leefstijl – is een wezensvreemd element in het denken van filosofen; het overtuigd willen worden dat (academische) filosofie nut heeft, is vragen om een contradictio in terminis (voor het cogito maak ik uiteraard hier een uitzondering). Iets heeft nut als het voor iets anders een rol kan spelen, dus vragen naar het nut van iets, doet uiteindelijk – als het antwoord gegeven is – de vraag automatisch verschuiven naar een volgende, grotere vraag. Uiteindelijk komen we dan op de laatste, op de grootste vraag uit, namelijk op wat het nut van het leven is. Allerlei leerstellingen en religies hebben daar al eeuwenlang wisselende (en vaak verrassend gelijke) antwoorden op gegeven, maar theologen en filosofen verschillen op het punt van het ‘binden aan’ en het ‘loskoppelen van’ een bovenaardse macht aan ons doen en laten: filosofie is per definitie diabolisch (waarbij de vertaling ‘duivels’ in dezen incorrect is: de filosofie scheidt alleen waar de theologie juist verbindt). Daarom lijkt bovenstaande verzuchting ‘godzijdank’ paradoxaal, maar is ze bij nader inzien geheel conform de strekking van die uitspraak.

De noodzaak dan? Ook hier lijkt me die in eerste instantie niet aanwezig, tenzij men onder filosoferen ‘het diepere denken’, ‘het reflecteren’ of zelfs ‘het denken over het denken’ verstaat. Dergelijke omschrijvingen zijn overigens té gemakkelijk, containerbegrippen heten uiteraard zo omdat ze overal op passen. De gestelde vraag, die ons binnen de filosofie naar die discipline die zich met het politieke en het sociale bezighoudt leidt, baart ook nu weer meteen een volgende, namelijk ‘noodzakelijk voor wat?’ Als schakels aan een ketting kun je immers doorgaan tot je bij het begin komt; en dan dien je je de vraag te stellen over dat begin. Dat antwoord valt per definitie niet te funderen, iedere deductie is uiteindelijk afgeleid van een dogma of axioma.

Geluk, niets meer en niets minder dan geluk. Mijn stelling is dat het doel van iedere samenleving geluk is, gegeven of beoogd (dat maakt me niet uit). Ieder handelen is gericht op het vergroten van geluk. In die betekenis leven we – samen met de Scandinavische landen staan we op de gelukslijst uitzonderlijk hoog – in een wel zeer gelukkige en in mijn ogen dus hoogontwikkelde samenleving. Willen anderen een dergelijke ranking liever afmeten bijvoorbeeld aan het gemiddelde inkomen, het aantal gewonnen bekers in de Champignons League, uitgereikte Nobelprijzen, hoeveelheid kunstgaleries, gewonnen Oscars of aan het aantal geregistreerde patenten (de lijst is makkelijk uit te breiden met volslagen andere, alle even waardevolle als volstrekt onzinnige parameters), mij lijkt het cijfer dat we onszelf geven over ons eigen leven meer steekhoudend dan ieder ander criterium.

De stelling dat de Nederlandse bevolking bovenmatig gelukkig is, kan gestaafd worden; jaarlijks wordt aan een groot aantal mensen de vraag voorgelegd welk cijfer bij het eigen leven past. Binnen die groep van meer dan 16 miljoen gelukkige Nederlanders scoort de jeugd ook nog eens het hóógst van de gehele wereld. Dit komt voor een groot gedeelte omdat ze de school en alles wat daarmee samenhangt, maar liefst een 7,8 geeft (vergelijk dat eens met bijvoorbeeld de Griekse jeugd die een schamele 3,8 overheeft voor het niveau, voor de veiligheid en voor de betrokkenheid van hun leermeesters). Wat een genot om in Nederland te leven meteen al als je jong bent (en onderwijs geniet)! Onze jeugd krijgt de hamvraag en wint prompt de ham, heeft de wind mee, fietst bergaf trappend op een elektrische fiets en valt steevast vól met de neus in de boter, die dan ook nog eens roomboter blijkt te zijn.

Als het doel van het leven het geluk is – ik weet dat er vele manieren zijn om geluk te ervaren (bekend is de uitspraak geluk is genot voor de wijze, genot is geluk voor de domme) -, wat is dan de relatie met filosofie? Is enige kennis van filosofie bij ieder van ons afzonderlijk echt noodzakelijk om gelukkig te zijn? Ja en nee.

We leven in een wereld waarin al miljoenen jaren alles gericht is op ongelijkheid, op overrompelen, op overwinnen en dan op verder overheersen. The survival of the fittest is niet inclusief de mensheid, het omvat ook het individu. De geschiedenis is een aaneenschakeling van menselijk leed aangedaan in de worsteling de bovenliggende partij te willen zijn. Het achterstellen op basis van geslacht, afkomst, seksuele voorkeur of ras is nog onverminderd aan de orde van de dag. Belonen en bestraffen op basis van genetisch verkregen intelligentie of aanleg vormen zelfs in de ogen van velen de legitieme basis voor ons beloningssysteem: de vrije wil wordt klakkeloos aangenomen, ieder handelen zou immers het product van een wilsact zijn (vandaar dat we bij een natuurramp allen éven gelijk zijn en we allen éven gelijk de smart delen – het gironummer is al bekend voor de omvang duidelijk is -, maar daarna gaat het opboksen weer onverdroten voort). De mensheid verbroederde niet, zij individualiseerde zonder tegenkracht op zo’n wijze dat versplinterde een betere formulering is. Ik herinner me dat in mijn jeugd iedereen om de haard gezellig om dat éne televisietoestel zat te socializen, nu zit iedereen op eigen kamer naast de centrale verwarming naar het eigen tablet te staren: zelfs onze vooruitgang stimuleert het verminderen van het gemeenschapsgevoel. Dat weten we al eeuwen en eeuwen en daarom vinden we keer op keer religies uit die met begrippen als naastenliefde hier verandering in aan moeten brengen, maar terwijl de geestelijken hun zakken bleven vullen op een manier waarom de televisiedominees nu schamper lachen, lieten we de kern van het probleem onaangetast: waar de macht is, zit het geld. Ongelijkheid genereert grotere ongelijkheid, de onderklasse stelt alles in het werk om op te klimmen, de bovenklasse om nóg hoger te klimmen, minimaal te conserveren.

Maar het kan anders. Beginselen van rechtvaardigheid dienen gekozen te worden achter een sluier van onwetendheid: deze uitspraak is van de filosoof John Rawls, uitgewerkt in A Theory of Justice uit 1972. Hierin ontwerpt hij een theorie die uiteenzet hoe de mensheid op een eerlijke manier kan bepalen wat rechtvaardigheid is. Wat doorbroken dient te worden is de menselijke neiging uit te gaan van het eigenbelang, en onze verkregen dan wel gewonnen positie minimaal te verbeteren zonder ook maar enige acht te slaan op wat fairness is. De bankdirecteur die 40% salarisverhoging claimt alleen omdat anderen in zijn positie die óók krijgen, de voetballer die een torenhoog salaris eist omdat veronderstelde mindere voorgangers dat al opstreken: zij gaan beiden uit van het eigenbelang, ondemocratisch, zelfzuchtig en vooral schaamteloos omdat de notie rechtvaardigheid totaal afwezig is. In een denkbeeldige situatie waarin we niet weten wie of wat we zijn, de original position, dienen we ons onder een sluier van onwetendheid te plaatsen: zonder te weten of we man of vrouw, arm of rijk, blank of zwart, gezond of ziek, jong of oud, slim of dom, getalenteerd of middelmatig zijn, kortom zonder te weten wat onze plaats in de wereld is, kunnen we pas bepalen wat rechtvaardigheid is. De original position is zo ons eigen belang in ieders belang. Rationeel geven we alleen zo antwoord op de vraag wat eerlijk is. Ons geluk hier in Noordwest-Europa is voor een groot gedeelte ontstaan door onze geringe, eerlijke (!) inkomensverschillen. Natuurlijk, we hebben geen oorlog, we kennen geen honger, geen extremisme en we hebben natuurlijke rijkdommen. Dat helpt vanzelfsprekend allemaal mee, maar wij hebben het toch maar mooi voor elkaar gekregen dat gelijkheid de basis is door onze behoefte aan ‘overrompelen, overwinnen & overheersen’ in een andere vorm te gieten. Maar heeft de filosofie daar nou aan bijgedragen? Geeft de filosofie het doel aan of ook de stappen die gezet moeten worden om dat doel te bereiken?

Mijn ouders hebben mij op jonge leeftijd allerlei sporten laten beoefenen, net zo lang tot ik er achter kwam dat er eigenlijk maar één sport is en alle andere eigenlijk spelletjes zijn.
Onze kinderen hebben wij dezelfde weg laten bewandelen, zij het dat ze op een andere uitkomst uitkwamen. Niet alleen stond de zaterdag jarenlang in het teken van de sport – hele elftallen van hot naar her rijden, vlaggen langs de lijn, bardiensten draaien, tenues wassen, troosten (vaak), meejuichen (soms) en aanmoedigen (altijd) -, ook de rest van de week werd gekleurd door spel. Kaarten, mens-erger-je-niet, boompje-verwisselen, schaken, dat soort bezigheden. Sport en spel zag ik bij mijn kinderen emoties kanaliseren, ik zag dat ze in teamverband leerden werken, dat ze strategisch gingen denken, hun grenzen opzochten, hun verlies leerden nemen en mildheid ontwikkelden: ik zag ze kortom sportiever worden. De behoefte aan succes, aan het overrompelen, overwinnen en overheersen werd in zalen, op springkussens, matten, grasvelden, circuits, zelfs onder water en in de lucht, maar vooral thuis bevredigd. En gelukkig waren wij niet de enigen. Nederland telt op sportgebied mee. Bij de laatste Europese Kampioenschappen behaalden wij maar liefst 43 medailles, bij WK en Olympische Spelen kleurt het land spontaan oranje. Ireen, Sven, Epke, Naomi, Daphne en Tom staan hier op gelijke hoogte met Willem-Alexander en Maxima. Nederland ludificeert – de term is van Johan Huizinga – en die ludificering is overal aanwezig, sport en spel lopen in elkaar over en zijn zelfs zichtbaar tot in de kleine uurtjes op werkelijk elk televisienet waar de meest creatieve spelletjes gespeeld worden omdat zij aan een behoefte voldoen (terwijl ik dit schrijf zit mijn vrouw al uren op haar tablet een spel met haar zus in Amerika te spelen).

En zó hebben wij een samenleving gemaakt waarin wij gemeenschapszin creëren door onze competitieve drijfveren en driften te gebruiken om bergen sneller dan een ander op te fietsen, om één bal meer dan de tegenstander in een net te schieten, of om een balletje in minder slagen dan de ander in een gaatje te krijgen (of zo u wilt: in een hole). Sportieve mensen zijn sportiever. Kan het simpeler? Maatschappelijke gelijkheid koesteren door sportieve ongelijkheid te omarmen.

Zo hebben we óók oog voor ieders eigen belang in ieders belang. En daarbij heeft de filosofie geholpen, ons nadrukkelijk de weg gewezen, maar onmachtig als zij is om ons als irrationele wezens te sturen, heeft zij wel een pas opzij gezet en het overgelaten aan sport en spel. Filosofie is de ultieme rebound.

Het is niet nodig dat iedereen kennis heeft van filosofie, maar filosofie dient wel in een samenleving in verschillende verschijningsvormen aanwezig te zijn om het doel te bepalen: noodzakelijk, strikt noodzakelijk zelfs. Filosofie en sport lijken elkaars tegenpolen, maar in feite is het de filosofie die ons land door sport oranje laat kleuren. De term ‘academische filosofie’ in de vraagstelling is dan ook de ware contradictio in terminis

 

 

Woordjes leren 4 mei 2018

Woordjes leren

Jongens, heb je verdriet,
sprak toen de leraar Grieks,
dan moet je woordjes leren, woordjes
leren. Hij knikte energiek
zodat er as viel op zijn vest,
maar dat was toch al vies.
Wij lachten halfvertederd,
halfmeewarig, want tragiek
daar wist je alles van en hij,
heel oud, haast vijftig, niets.
En dat het overging als je maar
woordjes leerde, dat was iets
zo absurds, zo dolkomieks
dat het in omloop kwam als een
gevleugeld woord. Het klapwiekt
nu verdrietig om mij heen
omdat ik later woordjes leerde
waarmee je ‘t monster kunt bezweren
en ik hem niet meer zeggen kan
hoe ik soms naar die stem verlang,
naar dat onhandige advies.

Jan Eijkelboom

onuitgegeven manuscript

 

AMSTERDAM

Anna heeft Robin nooit meer teruggezien, nooit. Dat had ze ook niet verwacht. Wel heeft ze kussens nat gehuild en nachten getreurd, brieven vol geschreven en prullenmanden vol gesnotterd, maar dat mocht natuurlijk allemaal niet baten. Het leven laat zich niet door verdriet sturen.

De laarsjes die ze in volle wanhoop radeloos indertijd in haar maat op internet had gekocht, staan als relicten uit een gelukkiger tijd onaangeraakt op haar kast; soms torenen ze sarcastisch boven haar eigen schoenen en laarsjes uit, soms verbeelden ze een verstild bolwerk van geluk. De enige foto die ze van Anna heeft, hangt scheef en vergeeld in de badkamer tegen de spiegel aan, ´s ochtends ter begroeting van de dag en ´s avonds weer ter afsluiting; langzaam vervagen de contouren erop. Soms praat ze er tegen, tegen haar, niet altijd even vrolijk, soms zelfs afstandelijk. Het zilveren januskopje dat ze van haar gekregen had, heeft ze toch maar opgeborgen, dat bleek haar uiteindelijk toch te metaforisch voor het geheel waarin niets was wat het leek. Alleen de liefde was echt.

In haar beleving raakte hun relatie ooit aan de perfectie en kan een eventuele hereniging tussen hen toch nooit meer aan die hoge verwachtingen die dan zouden ontstaan, voldoen. Dat die twee overtuigingen met elkaar in tegenspraak zijn, weet ze wel, maar het voelt nou eenmaal zo voor haar. Het risico van wéér zo diep te zinken, weer de bodem van het gevoel te naderen, durft ze niet te nemen, ze beschermt zich. God, wat hield ze toch van haar. Eéns, maar nooit meer.

Ze weet zelf niet waarom, nu nog steeds niet. Misschien omdat Anna het was en omdat zij het was. Klaar. Een uitspraak van Montaigne ja. Golden days before they end, zingt Roy Orbison. Ik heb een vrouw bemind die wel een tweede Troje zou verdienen, dat dicht de dichter Rawie. Anderen zeggen het veel mooier dan zij dat kan, vindt ze. Haar verslag ‘Je weet nog niet half hoeveel’ leest ze af en toe over. Eén uitgever durfde het aan, maar hij had ongelijk gekregen: meer dan negentig exemplaren waren er niet van verkocht. Bij de presentatie van het boek moest ze huilen, vriendinnen troostten haar.

Zij trekt niet ten strijde, ook niet literair, al is Anna vele oorlogen meer waard dan die Helena die zich door Paris liet schaken. Geen tweede Troje. Al zou ze zeven keer de wereld willen rondgaan voor haar. Zeven maal om de aarde gaan, zeven maal, om met zijn tweeën te staan. De spierpijn van het geluk trekt door heel haar lijf heem als ze terugdenkt aan die tijd. Soms, heel soms zoekt ze nog weleens op internet naar sporen van haar, maar echt speuren kun je het niet noemen: surfen, scheren over haar naam, zijn naam, hun namen, Rome, Amalfi, meer is het niet. Anna is weg, voorgoed. Voorbij, voorbij, voorgoed voorbij. Als een grafschrift.

Maar kom op zeg. Het leven heeft zich herpakt, zij heeft zich herpakt. Van lijden naar leiden werd het motto. Ze is weer gaan lesgeven, ze beziet de dingen anders dan voorheen, dus in zoverre heeft Anna veel nagelaten. Ze doet de was, ze kookt, ze strijkt, ze schaakt en ze fietst. Ze droomt en ze drinkt, ze bidt en ze vloekt, ze reist en komt weer thuis. Wat wil een mens nog meer? Op het menu stáán nou eenmaal gerechten, het leven dient zich niet à la carte aan, zo weet ze. Het was in haar geval een verrassingsmenu.

’s Ochtends opent ze het raam en laat ze het leven binnen. Niemand kan zich beter wensen dan een Amsterdamse te zijn, en verdomd: dat is waar, zo weet ze. Haar BV-Ik heeft zich opgericht. Als je ouder wordt, komt weliswaar automatisch het verleden steeds dichterbij, maar ze wil nog de toekomst in, ze is de vijftig immers nog niet gepasseerd. Nog láng niet.

Verliefd is ze daarna ook niet meer geweest; wel stelde een nieuwe collega die economie gaf belang in haar, is er ook wel op een druilerige donderdagavond een voorzichtige date geweest, maar ze kreeg letterlijk vooral jeuk van zijn zelfvoldaanheid. Kees heette hij, een aardige man hoor, leerlingen lopen met hem weg. Misschien wel tien keer kwam de uitdrukking ‘en klaar is Kees’ ter sprake. Ze kreeg daar een fantasie bij terwijl hij oeverloos praatte over zijn vorige relatie, en deinsde terug. Toen hij ook nog zijn spaghetti ging snijden en zijn telefoon als een soort proletenbestek naast zijn bord legde, was de maat eigenlijk al vol. Kees…, meer een bevel dan een naam.

Oudere mannen zijn niet haar ding. De charme van de jeugd trekt haar te veel; dat joi de vivre, dat gevoel dat de wereld staat te wachten, ja staat te springen op je, dat jij het stuurwiel niet alleen in handen hebt, maar zelf bént, dat egocentrische ook, de overtuiging dat er nog een zee aan tijd vóór je is die nooit maar dan ook nóóit zal opgaan, april in plaats van november, groei & bloei voor afsterven, optrekken in plaats van afremmen, oriëntatie in plaats van bezinning, sprankelen en bruisen voor sudderen en het eeuwige stofwisselen. Dat het mooiste nog moet komen…

Misschien is ze uiteindelijk wel het meeste verliefd op haar leerlingen.

Op studiereis gaat ze nog wel, afgelopen jaar bijvoorbeeld weer naar Hissarlik (waar ooit het oude Troje lag en Schliemann heeft gegraven op zoek naar de Homerische stad, zo vertelt ze haar leerlingen jaarlijks).

Iemand als Anna is ze dus ook op reis niet meer tegen-gekomen. Komt ze ook nooit meer tegen, dat weet ze. Zeker. Vast en zeker, zegt Hannah.

Aan de zus Eve heeft ze ook nog veel gedacht; misschien dat ze daarom niet veel meer aan filosofie gedaan heeft, zeker niet sinds ze van Schopenhauer Daher werden die Meisten, wenn sie am Ende zurückblicken, finden, dass sie ihr ganzes Leben hindurch ad interim gelebt haben gelezen had. Dat kwam haar zó dicht bij, dat raakte haar zó in de ziel, dat het haar compleet beangstigde. Bot-op-bot, recht naar de ziel. De term ‘een leven ad interim’ is haar sindsdien een spookbeeld, het begin kende ze namelijk al, het einde nog niet.

Enige tijd stortte ze zich op genoegens, marineerde ze zich in een quasi welzijn. In plaats van ‘tijd is geld’ leefde ze enige tijd het leven van ‘tijd is genot’. En ja, ze weet het: geluk is het genot van de wijze en genot het geluk van de domme. Heeft vast ook een of andere filosoof gezegd, ze zeggen zo veel. Well-nes en yoga, meditatie en keihard sporten bleken tussenfasen die even verlossing brachten.

Naar de mevrouw-aan-de-gracht is ze nooit meer geweest. Laatst is ze haar wel tegengekomen in het concertgebouw, zo maar opeens stond ze daar, nog steeds even breed. Heel professioneel had die toen even gewacht tot Robin als eerste zou groeten. Dat deed ze niet, dus walste ze haar voorbij, een beetje nuffig. Wel slim.

Hannah is uiteraard nog steeds de grote hartsvriendin, de  soulmate. Ik kan dat natuurlijk verder gaan uitleggen, maar de perfecte samenvatting ligt al in dat ene woord.

 

Tot zover nu, want dit alles zou tot voor kort zo geschreven kunnen zijn. Sindsdien heeft zich iets voorgedaan wat alles op een compleet ander spoor zet, in een ander daglicht ook. Alles, dus ook haar relatie tot An (als noemt ze die tot in haar dromen nog steeds Anna, het palindroom dat de gedroomde wederzijdsheid zo vertegenwoordigt).

Ik ga u er meer over vertellen, eerlijk en open. Maar let op. In het eerste verhaal vertelde ze dat een proeve van haar dissertatie over de gebeurtenissen op 10 oktober 1582 in haar bureaula lag. De werkelijkheid is dat die datum nooit bestaan heeft. Paus Gregorius stelde indertijd een nieuwe kalender in en bepaalde dat om de seizoenen weer gelijk te laten lopen met de kalender 5 oktober 1582 meteen gevolgd zou worden door 15 oktober. Tien dagen in de wereld-geschiedenis bestaan dus gewoonweg niet. Vindt Robin wel stoer; er waren wel eerder pausen die zonder blikken of blozen individuen hun leven ontnomen, maar de hele mensheid tien dagen ontnemen is wel even andere koek. De waarheid is wel dat haar fictieve promotie dus over het niets gaat. Bluf of dikdoenerij? Nee, ik leg het later uit. Maar nu nog niet.

Ik zeg u dit ook nu weer als waarschuwing. Niets is wat het lijkt, alles is weliswaar weer verzonnen, maar niets is bedacht.

 

U herinnert zich ongetwijfeld dat ze graag fietst, op een Italiaanse Bianchi in zeegroene kleuren (‘celeste’). Dagelijks rijdt ze in Amsterdam over de grachten, vaak ook langs de Amstel, de polder in, de Ronde Hoep bij voorkeur, vaak de andere kant op naar de duinen. Soms met jonge jongens mee, soms haakt ze bij oudere mannen aan (‘in iedere wielrenner klopt het hart van een jongen’), maar bijna nooit kan ze ze bijhouden. Als zij zien dat een vrouw aanklampt, geven ze van nature extra gas, boys will be boys. Van vrouwenclubjes houdt ze niet: er moet wel gescholden worden tijdens het rijden en het liefst ook gevloekt: rrrrrijen! De duinen bij Schoorl vormen zo´n beetje haar grens. Is toch uit-en-thuis een dikke 130 kilometer.

Vorige maand reed ze op haar Bianchi de Elandsgracht op, rechts vanaf de Prinsengracht. Links zag ze, waar eerst water was geweest, de beelden van de Jordanese trots staan, helden van haar ouders (Tante Leen, Johnny Meijer, Johnny Jordaan). Even lette ze niet op, rechts keek een uitparkerende automobilist niet uit en schepte haar. Ze viel. Verwondingen had ze niet, maar de fiets was wel beschadigd: de voorvork was verbogen, beide wielen hadden een flinke slag. De bestuurder trok wit weg en uitte stotterend en geschrokken vele verontschuldigingen, hielp haar overeind, kalmeerde haar (en zij hem); hij zette haar fiets bij hem thuis binnen – zijn vrouw gaf hem direct op haar beste Amsterdams op zijn falie – en bood vol schuldgevoel aan haar ergens af te zetten. Ze wilde bewegen, haar spieren even belasten en sloeg dus het aanbod af en zei wandelend verder te willen gaan.

Even verderop aan de rechterkant was Veilinghuis De Eland, waar ze vroeger al weleens bij toeval verzeild geraakt was. Er was toen al veel antiek en veel tweedehands rommel, en het verschil tussen die twee was destijds al moeilijk en soms gewoon helemaal niet te zien. Schilderijtjes werden er geveild voor tien, twintig, dertig euro, voor minder soms. Rommel. Kasten en stoelen waar men van af wilde, bedden, nachtkastjes, matrassen zelfs. Ze stapte naar binnen – ze wist zelf ook niet waarom – en belandde in een veiling van (weer) prullaria.

Het zaaltje met een lage zoldering was voor driekwart gevuld, een handjevol handige handelaren (die er ook zo uitzagen) bood quasi ongeïnteresseerd en zelfs verveeld tegen elkaar op. Het spel was boeiender dan het aangebodene. Soms ging de prijs maar met één euro tegelijk omhoog, een enkele keer haalde een kavel de minimumprijs niet eens, al sloofde de veilingmeester zich nog zo uit. Een seconde vóór het ‘éénmaal, andermaal, verkocht!’ bromde soms nog iemand tergend langzaam een prijs, een ietsjes hoger bod. Zelfs de veilingmeester leek soms teleurgesteld. Ze zag dat gedoe een tijdje aan en stond weer op. Wat doelloos dwaalde ze rond achter in het tweede deel van het gebouw waar kasten, tafels, hele slaapkamers stonden opgesteld, tot opeens een groot schilderij, wel van anderhalf bij twee meter, haar aandacht trok. Het stond voor een kwart verscholen achter een staande empire-spiegel. Het was een stadsgezicht, het beeldde Den Haag uit waarschijnlijk, maar belangrijker: volgens Robin was het er absoluut een uit de Haagse impressionistenschool. De te verwachten opbrengst lag tussen de honderdvijftig en tweehonderd euro, zo las ze, belachelijk weinig voor zo’n doek in olieverf, maar ook weer veel voor zo’n immens groot doek (want waar laat je het?). Het was overduidelijk een vroeg jeugdwerk, alle kenmerken van de beginnende artiest die zijn eigen stijl nog niet leidend of dominant had gemaakt, waren aanwezig. Het was een soort jeugdsymfonie (ooit had een klasgenote haar verteld dat je moest beginnen met de eerste symfonieën van bijvoorbeeld Beethoven of met de pianoconcerten van Chopin: die waren nog niet geëvolueerd, nog zoekend, zelfs nog een beetje clichématig): alle technieken waren vertegenwoordigd, het was alsof de kunstenaar meer met overtuigen bezig was geweest dan met schilderen. Ze kende het Vlaamse gezegde ‘wat praat je veel, wat heb je te verbergen’. Dit schilderij fluisterde niet, het riep, het schreeuwde om een gebrek aan eigenheid te verbergen.

Wat haar het meest trof, was de signatuur rechtsonder, die luidde HJW.

En met het zien van die signatuur begint het.

 

WENEN

Robin heb ik nooit meer teruggezien, nooit. Gehuild heb ik niet, verdrietig ben ik wel heel lang geweest. Het went, maar het slijt niet. Haar ring draag ik nog. Dagelijks. Ik heb me aangewend minstens een paar keer per dag die zachtjes te draaien, altijd met de klok mee. Ik stel me zo voor dat ze mijn januskopje draagt. Dat ik haar verdriet heb gedaan, weet ik, maar soms lopen zaken nou eenmaal zo. De eerste maanden daarna ben ik rusteloos op zoek gedaan naar rust, toen Nibor geboren werd, dacht ik even die gevonden te hebben. Ik vergiste me.

Het gaat me nu redelijk goed, het gaat óns redelijk goed. Paul heeft promotie gemaakt, we hebben een stabiele relatie, een leuk huis, een kind, een toekomst. Maar er iets een deel van mijn hart onvervuld. Rusteloosheid is het symptoom.

( … )

Rijk was ik met geld. Ik kocht een ervaring en boekte een studiereis, met opzet niet in Italië, maar in Frankrijk, classicistische tuinarchitectuur leek me wel wat, een beetje door tuinen dwalen en arboreta bezoeken kwam me aantrekkelijk voor. Binnen een paar dagen werd ik door iemand van het bureau gebeld met de mededeling dat de cursus helaas overtekend was; heel jammer, maar de mevrouw aan de lijn beloofde me wel dat ik kon aansluiten bij een week Stoïcijnse filosofie, in Griekenland op het eiland Samos. Zou dat niet iets zijn? Ik vond het goed; een week vol slow-thinking leek me gepast.

 

 AMSTERDAM

In haar studententijd studeerde Robin geschiedenis en kunst-geschiedenis tegelijk. Allemaal flauwekul dat je geen twee studies tegelijk kunt doen zei ze vaak, zeker twee zo dicht bij elkaar liggende en tegen elkaar aan schurende richtingen. Ze heeft genoeg oud-leerlingen die studeren en daarnaast een halve baan hebben en ook nog uren in de kroeg hangen zoals het hoort; als student.

Voor die tweede studie (die ze niet heeft afgemaakt, maar dat lag aan andere zaken) heeft ze zich een tijd lang verdiept in het impressionisme, vooral in het werk van Weissenbruch. De Haagse School was zeer in trek tijdens haar studietijd, nu iets minder (in financieel opzicht dan), maar werken van Maris, Mesdag en Mauve zijn nog zeer populair en worden soms voor een goede prijs aangeboden. Zelf heeft ze ooit een piepkleine Israëls gekocht. Ze heeft er een béétje, een heel klein beetje kijk op. Vindt ze zelf. Het einde van de negentiende eeuw trekt haar in velerlei opzichten, politiek, sociaal, cultureel. Madame Bovary en Eline Vere kon je zomaar op straat tegenkomen, de inktzwarte bladzijde in de wereldgeschiedenis moest nog opengeslagen worden, hoop en optimisme stonden vooraan in het denken van de mens. De wereldtentoonstelling van 1889 in Parijs was een loflied op het menselijk kunnen, een ode aan de mensheid, ja een aubade op de toekomst; de eeuwwisseling bleek later pas een waar breukvlak te zijn; schilders toverden, musici walsten, schrijvers penseelden, La Bohème van Puccini was als een voorloper van Friends. De wereld sprankelde met een elan zoals zich dat misschien alleen in de vroegrenaissance had voorgedaan. Het kon niet anders dan dat het dingen waren die voorbij zouden gaan, dat had Couperus al goed gezien. Misschien is dat ook de reden dat ze liever over de Prinsengracht fietst dan over welke andere ook, geloof ik: het fin de siècle is in haar ogen zoveel rijker dan die zo veel geroemde zeventiende eeuw.

Bij het ingaan van de veiling De Eland zag ze aan de overkant aan de Prinsengracht, boven waar eerst het weekblad De Linie had gezeten, nog een mooie Jugendstill erker waarin een vrouw verstild zat.

Werken van Weissenbruch worden heden ten dage bij kunsthandelaren minder aangeboden, om de een of andere reden heeft hij de golfbeweging van de mode altijd weerstaan en is hij tijdloos gebleken. Desalniettemin betaal je al snel dertigduizend euro voor een groot schilderij (ja, ook in de kunstwereld wordt soms heel gewoon met vierkante centimeters gemeten). Deze Weissenbruch nu heette voluit Johan Hendrik en onder die naam heeft hij misschien ook even geschilderd, maar al heel snel had hij het wel erg doorzichtige pseudoniem Hendrik Johan heeft aangenomen. Al zijn werken zijn voor zover bekend zonder uitzondering gesigneerd met HJW.

De lijst was beschadigd, het doek zelf verkeerde op een wat bleke waas in het midden na, in redelijke staat (vond ze). Het stelde een stadsgezicht voor. Den Haag vast. Het doek, met een zware classicistische lijst eromheen, was gesigneerd met JHW, niet met HJW. Op het kaartje dat er aan hing, stond alleen

 

Olieverf schilderij, plm midden 19e eeuw, schilder onbekend (gezien signatuur niet van de bekende Hendrik Johan Weissenbruch). In de trant van de Haagse School. Doek iets beschadigt, lijst matig.
Verwachtte opbrengst 150-200 euro, geen minimum.’

Verwachte met dubbel ’t’ en beschadigd met een ‘t’.

Ze besloot te wachten tot het doek onder de hamer zou komen. Er scheidden hen nog 32 kavels, bedacht ze en ze moest zelf lachen om die formulering. Ja, ze zou het kopen, het was een overdachte impulsaankoop. De opgewekte adrenaline was de motor van haar gedrag nu.

De schilderijen die volgden haalden veelal de honderd euro niet. Kooplui keken verveeld rond, ze kenden elkaar allemaal, als bij toeval leek nu de een, dan de ander te bieden. Alsof men het elkaar gunde, soms alsof juist niet. Ze had zich voorgenomen niet boven de tweehonderd, vooruit de tweehonderdvijftig euro te gaan, maar ze voelde wel dat die wil niet sterk was, zeker niet toen de magazijnjongens in grijze jassen met het doek kwamen aanlopen. Het werk werd op een standaard gezet en de afgebeelde personen leken haar uitnodigend aan te kijken. Ze zette meteen in. Stom. Ze had daar een dik half uur gezeten, niets geboden en nu opeens had ze de aandacht van iedereen getrokken met mijn bod. Enigen gingen er eens goed voor zitten, zo zag ze.

Het bieden ging snel met een tientje omhoog, een koopman in een ontzettend slecht zittend pak lachte haar vriendelijk toe, zijn kunstgebit te wit,  en bood opeens vijfentwintig euro extra om te ontregelen. De zak. Op tweehonderdvijfendertig leek de koop beklonken, maar men werd wakker. Er werd tot driehonderd geboden. Om duidelijk te maken dat er met haar niet te spotten zou zijn, bood ze driehonderdvijftig, heel kordaat, vond ze zelf.

Afijn, om een lang verhaal kort te houden, ze had het voor driehonderdtachtig. Handelaren lachten elkaar na afloop wat samenzweerderig toe. Boys will be boys. Toen ze zich realiseerde dat het maar liefst honderdtachtig euro boven het gestelde maximum was, bedacht ze zich nog dat er óók nog  veilingkosten bijkwamen.

Toch was ze blij, voelde ze opwinding., hoge hartslag.

De dag erop heeft ze het schilderij opgehaald en naar een bevriende restaurateur laten brengen die het ergste vuil er vanaf gehaald heeft. Thuis vond ze er met moeite een geschikte plek voor. Daar heeft het twee weken gehangen totdat ze in Baarn een kunsthandelaar had gevonden die het kwam taxeren.

Vijfenveertig duizend euro!

Het bleek een jeugdwerk van Hendrik Johan te zijn, zeer, zeer zeldzaam. Met droge ogen: vijf-en-veertig-duizend. De garantie dat ze dat bedrag er ook daadwerkelijk voor zou krijgen, gaf hij uiteraard niet, maar op de veiling in het Gooi, in een zaaltje vol blauwe blazers en parelkettingen, deed het enige maanden later inderdaad tweeënveertigduizend euro. Netto. Ze was voor haar doen rijk. Gelaten nam ze er afscheid van.

De koper zei haar later hautain dat hij het ‘dingetje’ ook wel voor vijftigduizend had willen kopen, ze antwoordde hem nonchalant dat het ‘doekje’ van haar ook voor twintigduizend weg had gemogen. Gooise bal.

In een winkel vol racefietsen waar ze me als een klein kind in een volle speelgoedwinkel voelde, twijfelde ze lange tijd; zou ze, nu het kon, die ene statige lichtblauwe De Rosa of die andere, echt prachtige parelmoeren Pinarello kopen? Een prinses! Of een rode Battaglin? Minutenlang bleef ze geobsedeerd voor een hagelwitte Fausto Coppi staan (en herinnerde zich het verhaal van de dame-in-het-wit), maar bleef uiteindelijk heel tuttig haar Bianchi trouw. Ze kon het geld gewoon niet uitgeven. Heeft ze thuis nooit geleerd.

Rijk was ze met geld dat ze niet kon uitgeven.

Liever kocht ze een ervaring en ze boekte een studiereis, met opzet niet naar Italië, maar naar Turkije.

Na twee weken werd ze gebeld door het organiserende bureau met de mededeling dat de cursus overtekend was. Ze kon wel aanschuiven bij een week Stoïcijnse filosofie, op Sicilië, op het schiereiland Ortigia, bij Syracuse.

Ze stemde gelaten toe; zeven dagen lang verlangzamen trok haar ook wel.

 

introductie ULT

28-29-30 augustus

Dag 1 – Kennis

     9.30 – 10.15 Kennismaking met elkaar: studenten & docenten

–          10 minuten door een van ons: hoe kun je namen onthouden? Waarom?

–          Werkvorm: Hoe kan ik jou onthouden?

–          Badge maken

 

10.15 – 12.00 Kennismaking met de ULT /wandeling / pauze

12.00 – 13.00 Kennismaking met de jeugd – Generatie Z

–          presentatie Youngworks (Janneke checkt die spreker) / (Marc Vermeulen)

13.00 – 14.00: Lunch

14.00 – 16.00: Kennismaking met het onderwijs

–          Panorama

–          Onderwijs2032

–          Dromen

Dag 2 – Spiegel

 9.30  –  11.00 Onderwijsmythes

–          Kahoot met Wat is waar: onderwijsmythes: stellingen onderwijs

–          Spreker: Pedro de Bruyckere (Anouk checkt de spreker)

11.00-11.30 – Pauze

11.30-13.00 – Drama – Gijs Meeusen (Janneke checkt de spreker)

13.00-14.00 – Lunch

14.00-16.00 – Bildung en eigen ervaringen

–          Spreker: Wouter Sanderse (Anouk checkt de spreker) > back-up Rob van Otterdijk / Jan (1 uur)

–          Eigen ervaringen: wie bewonder je? Wie niet? Waarom? Waar wil je naartoe?

Dag 3 – Ambacht

 9.30-11.00 – Logopedie

–          Irene – workshop (Jan checkt de spreker)

11.00-11.30 – Pauze

11.30 – 13.00 – Lessen in Orde

–          Spreker: Peter Teitler (Henri checkt de spreker) ; boek bij AD op de lijst

13.00-14.00 – Pauze

14.00-16.00 – Een pakkend begin

–          Studenten maken een start van de les

Verantwoordelijken:

Dag 1 + 2: Jan en Anouk
Dag 3: Janneke

Praktische organisatie: Henri en Saskia

 

 

 

 

 

 

De zin van het leven

De zin van het leven en zo:

Als aan de minimumeis:
onsterfelijkheid, eeuwige jeugd
zonder lichamelijke of geestelijke ongemakken
voldaan is,
zouden we weer eens kunnen praten
of het de moeite waard is
je ergens voor in te spannen.

L. Lehmann