film PvdA

.

https://www.pvda.nl/kernthema-onderwijs/?__cf_chl_jschl_tk__=81a446f44373492af6374c1d6690e536ae2e1b37-1613498459-0-AbzNzInzNsST9PDwE9jiln3viCcZUR1b9LtmneEnCGjyBVGJxgavjKiEGyn9tet33XzbovUPMszIB-v-nm5NwqGmultpRXzp3d9Ap647p0NXcdp_IJ89ijH8frLTR4NmHozh8RTSux-QYSJzxUZHWVBtm_wCcGpsBgWAt0Wa-vIy3PUdz99Sbi5v3miydWK3_rk9J8HjpLlLVtw9dCB67FqtawnQYBFBmSWwex2zQLGJTLFpv-M3Yf-Sryc7A3uq5jdp_hluhM9QHO11EAB-YxRluzNCIdFFI55o6mb2m5W2au0jikv_VLb40-1eOpPJzz-eUQ3OI6Sc4FAU2zYnxVU

Ion lezen

Greek for Philosophers Reading Group

We will be meeting once a week online to read from the original text one of the most entertaining Platonic dialogues, the Ion, (recommended text:
Plato on Poetry – P. Murray (ed.): Cambridge University Press, 1996)
in which the undeclared war between poetry and Socratic philosophy is in full swing.

The Greek for Philosophers Reading Group is open to all levels of Greek learners,
from Beginners to Advanced level, since the focus will be mostly on the content rather than the language. Participants will be asked to prepare a translation of a short passage in advance and then present their translation in class, after which the discussion of the content will be open to all.

The aim of the reading group is to provide students and scholars interested in Plato with an informal platform in which they can come in contact with the text in the original Greek and discuss the content in a relaxed and friendly environment.

There will be 10 ( x 1 hour) weekly meetings, starting on the 7th of October and finishing on the 9th of December.
The course will be taught live online on Zoom.

Studie oud-Grieks

Study Ancient Greek in Siracusa goes On-line
August 3rd – 8th 2020
“KNOW THYSELF” is among the most famous sayings from ancient Greece. Have you ever wondered how it sounds in the original Greek? If you would like to familiarise yourself with the language of Homer, Plato, Pindar and Pythagoras, join us at the Exedra-Fonte Aretusa “Ancient Greek ‘Aperitivo’ Course”, now on-line because of the Covid 19 crisis. The online course will consist of 7 x 90-minute classes which will take place between the 3rd and 8th of August. Since this is a taster session, we have decided to focus on the text of Plato’s Apology in a way that will allow all of you to participate regardless of your familiarity with Greek. Plato’s Apology, is one of the best-known works of ancient Greek literature, in which the voice of Socrates can be clearly heard. We will examine not only the language, but also the philosophical argument
and Socrates’ novel rhetorical approach to the Athenian court, which condemned him to death but made his ideas famous. The classes will include reading the text from the original and then translating it by focusing on the most important syntactical constructions and bringing up the grammar when necessary. At the same time, we will provide a philosophical and intertextual commentary which will focus on the rhetorical techniques and construction of philosophical argument of the text — the aim is to be
able to understand the main ideas and the general philosophical concepts used by Plato and Socrates without too much concern for the language. In this way, we believe that all of you, from absolute beginners to advanced learners of Greek, will be able to get something out of the classes and enrich them with your participation.
Further to that, grammar and syntax handouts will be provided electronically before the beginning of each class (beginner and intermediate), in order to make sure that you will be able to identify the main linguistic points of each section we cover. We believe that this format will help us overcome the possible difficulties of online teaching and will ensure that the classes will be enjoyable and beneficial for all. We are looking forward to seeing you in our virtual classroom! The course is suitable for adult learners at any level, from absolute beginners to more advanced readers. Join us for a magical journey through Greek language and culture e designed to help us know ourselves—and ancient Greek—a bit better! “ΓΝΩΘΙ ΣΑΥΤΟΝ”

 

artikel tijdschrift van 12 tot 18

Onderwijs heeft meer behoefte aan vraagtekens en minder aan uitroeptekens.

Onderwijzen is leren te leven. Mooie doordachte aforismen hebben vaak de kracht van sensatie, maar hun omkering wekt wellicht juist daardoor vaak een vorm van weerstand op. Natuurlijk is de uitspraak van Cruijff ieder nadeel heb zijn voordeel veel mooier dan ieder voordeel heb zijn nadeel en is waarover je niet kunt spreken, daarover moet je zwijgen van Wittgenstein veel sprankelender dan waarover je niet kunt zwijgen, daarover moet je juist filosoferen. Toch geef ik het voordeel van de twijfel vaak aan de omkering of variatie. Variëren op een thema is immers per definitie buiten al aangegeven lijnen kleuren. Smaken verschillen vind ik mooi, nóg mooier vind ik dus Verschillen smaken omdat het oorspronkelijke gezegde erin opgesloten zit: twee voor de prijs van één zou je kunnen zeggen (over ik ben, dus ik denk héb ik het nog niet eens!).
Tijdens mijn studie is de uitspraak Filosoferen is leren te sterven zó vaak voorbijgekomen, dat ik bij god niet meer weet van wie die afkomstig is: van Plato, of wellicht van Cicero, misschien toch van Montaigne? Ik weet het niet, ik ga het ook niet opzoeken, het is van geen belang. Sinds een jaar hangt er boven mijn bureau Onderwijzen is leren te leven. Die is van mezelf. Een tegeltjeswijsheid als een koe (om in gebrekkig Nederlands de waarheid hiervan maar eens aan te duiden). Ik geef grif toe: de geschiedenis zal ik er niet groots en meeslepend mee ingaan, maar toch…
Jarenlang werd het onderwijs gezien als een plaats waar vaten gevuld werden in plaats van vuren ontstoken. Sommige rijtjes die ik jaren geleden op school uit het hoofd moest leren, kan ik nu nog opdreunen ( en vaak beginnen mensen – zeker op feestjes als ik ze vertel dat ik in het onderwijs werk, als vanzelf aan een rijtje (meestal mit, nach, bei, seit… )).

Als docent filosofie wil ik mijn leerlingen juist géén filosofie leren, maar vooral leren filosoferen: die verrekte uitroeptekens vervangen door vraagtekens.
Vandaag las ik op de omdenk-kalender: pas op voor mensen met te stellige meningen; vaak betekent het dat ze er niet zoveel over weten. En nu zit ik dus met een probleem. Want ik ben het zo eens met het voorafgaande, HEEL ERG EENS ZELFS !!!!!!

 

Jan Verweij

Docent filosofie St. Odulphuslyceum, Tilburg.

 

Essay in het kader van de wedstrijd ‘De kracht van de academische filosofie’

De Nederlandse Onderzoeksschool Wijsbegeerte
en
Filosofieblog Bij Nader Inzien

Filosoferen is leren te leven.

Doordachte aforismen hebben de kracht van sensatie. Hun omkering wekt wellicht juist daardoor vaak een vorm van weerstand op (analoog aan talent en genie, zo vermoed ik). Natuurlijk is de uitspraak ieder nadeel heb zijn voordeel veel mooier dan ieder voordeel heb zijn nadeel en is waarover je niet kunt spreken, daarover moet je zwijgen veel sprankelender dan waarover je niet kunt zwijgen, daarover moet je juist filosoferen. Toch geef ik het voordeel van de twijfel vaak aan de omkering of variatie. Variëren op een thema is immers per definitie buiten al aangegeven lijnen kleuren. Smaken verschillen vind ik mooi, nóg mooier vind ik dus Verschillen smaken omdat het oorspronkelijke gezegde erin opgesloten zit: twee voor de prijs van één zou je kunnen zeggen (over ik ben, dus ik denk héb ik het nog niet eens!).
Tijdens mijn studie is de uitspraak Filosoferen is leren te sterven zó vaak voorbijgekomen, dat ik bij god niet meer weet van wie die afkomstig is: van Plato, of wellicht van Cicero, misschien toch van Montaigne? Ik weet het niet, ik ga het ook niet opzoeken, het is van geen belang. Maar sinds een jaar hangt er boven mijn bureau de tekst Filosoferen is leren te leven. Die is van mezelf. Een tegeltjeswijsheid als een koe (om in gebrekkig Nederlands de waarheid hiervan maar eens aan te duiden). Ik geef grif toe: de geschiedenis zal ik er niet groots en meeslepend mee ingaan en hierom zal ik later zéker niet als diep denker herinnerd worden, maar toch…
Filosoferen wordt vaak gezien als een elitaire, academische, van ieder nut en zin ontblote bezigheid. Het is hoogstens een aardig tijdverdrijf, verder is het machteloos en geheel tandeloos (hoe anders vond keizer Domitianus dit in 89 na Chr. door werkelijk álle filosofen uit Rome te verbannen!). Het huidige waarderen van de maatschappelijke relevantie kwam voor mij schrijnend tot uiting in de kwalificatie die ik van mijn vrienden hoorde toen ik hun vertelde wat ik ging studeren: ‘veredeld hobbyisme;’ en ook dat ik me vooral niet hoefde te schamen hoor, dat mijn ouders dat wel voor mij zouden doen. Filosofen koesteren bovendien ook nog eens zelf, hoog verheven in hun ivoren torens, dat vooroordeel, vaak geheimzinnig en wat meewarig glimlachend om alle niet-filosofen die toch niet bij machte zijn het Grote Geheim dat hun wél geopenbaard is, te doorgronden. Net zoals het begrip democratie populistisch is vervlakt tot ‘de meerderheid mag het zeggen,’ zien we dat de term filosofie langzaam verwaterd is tot ‘kritisch nadenken’ (welke wetenschap doet dit nou niet?) of erger nog tot ‘houden van wijsheid.’ Ik zeg ‘verwaterd’ inderdaad, want dat beklijft niet, het glipt je door de vingers en uiteindelijk verdampt het. Houden van wijsheid: tja, wie doet dat niet? Wie zegt ‘doe mij maar domheid?’ Het is als de waarschuwing om niets overhaast te doen of de opmerking op=op: beide zijn nietszeggend en hebben een diepgang van een kano en een air van quasi-diepzinnigheid.
Laten we voor een goed begrip teruggaan naar de bron, de etymologie. Het woord filosofie komt van twee Griekse woorden, namelijk philo en sophia. Het eerste deel geeft een gesteldheid aan waarin iemand zich graag bevindt gekoppeld aan het tweede deel, dus bijvoorbeeld philo-posia, drankzucht. Iemand die zich aan de philo-sophia wijdt, is dus iemand die zijn heil graag zoekt in sophia. En wat betekent sophia? In de bijbel der Grieken, het epische tweeluik van Homerus, lezen we al over een timmerman die uitblinkt in werkelijk iedere denkbare sophia, in iedere denkbare váárdigheid dus. Voor timmeren heb je namelijk sophia nodig, en elders bij hem lezen we dat je ook voor zeilen dient te beschikken over sophia, en ook voor onderwijzen heb je sophia nodig, en ja ook voor het leven zelf dien je over sophia te beschikken. Vaardigheid en kundigheid, van wanten weten, van de klok en de klepel, het naadje en de kous en de hoed en de rand: dát zijn de oorspronkelijke betekenissen van sophia, dus het weten hóe.
Vandaar: Filosoferen is leren te leven.

Mijn echtgenote onderging nu ruim een jaar geleden na vage klachten en erger wordende pijnen in haar rug een medisch onderzoek. Het verdict luidde dezelfde dag nog: de ziekte van Kahler, kanker in een vergevorderd stadium, overal in het beenmerg. De klokken luidden meteen al somberzwart en dreigend op de achtergrond; ik leerde in één enkele dag wat het woord ‘verbijsterd’ betekent. Het samen huilen werd al snel opgevolgd door het reflecteren, het waarderen van het leven en het ons opmaken voor de strijd, niet die tegen de kanker – de geest kan dan wel machtiger zijn dan menigeen denkt, een puur chemisch proces valt echt niet tot stilstand te brengen door die uitsluitend te wíllen -, maar tegen de verachting, zowel tegen het cynisme als tegen het omarmen.
            Je wordt wat je kent is ook zo’n gezegde. Maar óók Je kent wat je wordt. En dus dook ik na de eerste ontnuchtering als een ware vlucht in mijn vakgebied, stil als door een achterdeur, als een dief in de nacht, want had ik nou echt niet iets beters te doen? Dingen te doen als reizen, veel luieren, samen genieten van en vooral in andere landen? Nou…, die wensen hadden we allemaal niet. Ons grootste compliment aan het leven was dat we wilden doorleven zoals we al leefden, maar wel met een beetje acceptatie, wat meer gemoedsrust, minimaal met wat geestelijke pleisters.
Ik dook filosofische geschriften in met een gretigheid van een verliefde in zijn dromen. Ik begon bij het begin, bij de Grieken. De aristotelische deugden die van toepassing zouden moeten zijn, misten op mij helaas hun uitwerking: de mufheid van het maathouden en van het Jantje zag eens pruimen hangen stuitte me tegen de borst. Het moest sprankelender, directer ook. De theologale deugden van Aquino als geloof, hoop en liefde bleven me te ver op afstand en bruisten me ook niet genoeg. Bovendien: ik wilde niet knielen, ik wilde vooral rechtóp staan. Ik spitte verder: wat kon Wittgenstein mij vertellen, hoe concreet kon Nietzsche mij toespreken, wat had ik nou aan Kant? Het aloude Gnothi seauton, het ken uzelve, vertelde me dat we allen mensen zijn, geen goden en dus sterfelijk, maar dit wist ik al lang. Alleen Mulisch kon het zich gekscherend (neem ik aan) veroorloven te zeggen dat het feit dat ook hij sterfelijk was, eerst maar eens voor hem bewezen moest worden. Het enige wat ik wilde, was de beste medische verzorging voor mijn vrouw en gemoedsrust voor mezelf. Het eerste lag buiten mijn bereik – overgeleverd aan de medische stand als je dan bent -, het tweede wilde ik zelf vinden.
Ik begon aarzelend eerst óver de stoïcijnen te lezen; ik las dat het voor hen niet uitmaakt of je in een god gelooft, als je er maar van overtuigd bent dat in een fatsoenlijk leven de cultivering van het eigen karakter en de zorg voor de ander en de omgeving centraal staan. Tot mijn vreugde bemerkte ik dat stoïcijnen zich door-en-door democratisch niet uitspreken over onsterfelijkheid en moraal met de daarmee onlosmakelijk verbonden toegangsbewijzen voor een hemel (en over wie wel en wie niet en vooral over het waarom daarvan). Ik las het Encheiridion, daarna de aforismen van Marcus Aurelius, nog later het volledige werk van Epictetus (en wat van Leopold, Spinoza, Seneca en ook van Cicero en natúúrlijk ook van Montaigne – ‘un autre Senèque en nostre langue’ zo in zijn eigen tijd genoemd) en herlas en herlas en bemerkte dat ik langzaam genas van mijn rusteloosheid. Ik merkte dat het gedachtegoed van de stoa als een soort tranquillizer van een te verhitte sensibiliteit kon werken, niet door die af te vlakken, maar door die in een perspectief te plaatsen die een ware en ook diepe gemoedsrust tot gevolg had. Zonder me illusies te maken over de vrije wil kreeg ik het gevoel weer het stuurwiel van mijn leven in handen te hebben, en dat ik van lijder weer geleidelijk leider werd.

Mijn vrouw werd langzaam beter door zeer regelmatig bezoeken aan specialisten af te leggen, door de voorgeschreven medicatie in te nemen, een transplantatie te ondergaan en alle voorschriften in acht te nemen; ik door regelmatig de stoïcijnse filosofie in te duiken en te oefenen, veel te oefenen in deze sophia.
Het stoïcijnse gedachtegoed leerde me dat ik niet door de gebeurtenissen, maar juist door mijn opvattingen over die gebeurtenissen pathos had, leed; dat lijden altijd slechts het gevolg is van onmacht die niet wordt geaccepteerd. De lijder – of de loser – verliest immers altijd van de realiteit (B. Katie omschrijft dit ergens kernachtig als: ‘If you argue with reality, you lose, but … only always’). Hoe om te gaan met de opvatting is de kern (en de opdracht) van de stoa, niet hoe om te gaan met de werkelijkheid.

‘Hoe gaat het met u?’ vroeg de zorgzame specialist mij eens (de zorg voor de partner is inmiddels ook toevertrouwd aan de behandelende arts). ‘Kunt ú wel een beetje omgaan met de … , laat ik zeggen met de situatie?’ Ik antwoordde naar eer en geweten dat ik dat helemaal niet wilde. Op zijn verbaasde blikken volgde een korte, tamelijk ongemakkelijke stilte; ik vroeg hem of hij bij kiespijn zou willen dat de pijn zou overgaan of dat hij liever zou hebben dat hij ermee kon omgaan. Hij zweeg, niet wetende wat hij moest zeggen.
De keer erop had ik voor hem het Encheiridion meegenomen, het zakboekje van Epictetus. Hij had er nog nooit van gehoord, bekende hij grif. Ik vertelde hem dat je vroeger voor je fysieke gezondheid naar iemand zoals hij ging, voor je mentale gezondheid – lees: voor je geluk – naar een filosoof. Hij beloofde me het boekje meteen te gaan lezen en overhandigde mij terloops want schuchter een folder met data waarop gezinsleden van kankerpatiënten samen konden komen voor een workshop getiteld ‘Omgaan met kanker’. ‘Onder het genot van een kopje koffie’ stond er vrolijk bij.
Het zal vast wel een dolle boel geworden zijn daar met al dat koffiegenot, maar ik ben er niet naar toe gegaan. In de zuilengang van mijn filosofie vond ik de handvatten die mij hielpen en mij sereniteit brachten.

Juist omdat we al blij mogen zijn als we in de marge van het leven wat kunnen kleuren, is de filosofie nog steeds, en zéker in tijden van ontkerkelijking en hardnekkige opkomst van waanideeën over een maakbaarheid van het leven, meer en meer nodig, broodnodig (ik aarzel hier om van het bekende ‘brood en spelen’ nu ‘brood en filosofie’ te maken). De wijsheid om in te zien dat er zaken zijn die je niet kunt veranderen, de arète, de moed, om te veranderen wat je wél kunt veranderen, en de sophia om het verschil tussen beide te zien: die drie vormen het startpunt van het filosoferen en zijn tevens de voorwaarde voor een goed leven, namelijk eentje met gemoedsrust.
Met mijn vrouw gaat het inmiddels veel beter; zelf ga ik binnenkort op uitnodiging van haar specialist voor familieleden van patiënten uitleggen wat filosofie voor hen kan doen en wat zij voor mij gedaan heeft.
Hij heeft mij toegezegd er zelf ook bij te zijn.
Met koffie, dat dan weer wel.

DE zin van het leven

De Volkskrant vroeg om een inzending over DE ZIN VAN HET LEVEN

Mijn bijdrage:

Jan Verweij, katholiek vanaf de wieg, (nog even) docent in het middelbaar onderwijs, herinnert zich de vraag  ‘Waartoe zijn wij op aarde?’
Zo opende de catechismus. Het antwoord luidde:
‘Wij zijn op aarde om God te dienen en om hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn.’
Ik heb mijn leven lang gezocht naar een antwoord
en net nu ik tegen mijn pensionering aanzit,
heb ik het gevonden, al zal niet iedereen het bevredigen.
Maar het is gevonden.
En het is op tijd.

 

Ben je zo katholiek opgevoed?
Nee hoor, thuis niet; mijn ouders lieten dat wijselijk over aan nonnen en aan broeders. Ach, Brabant was vroeger doordrenkt van het katholicisme. Mijn vrouw en ik hebben zelfs nog geprobeerd te trouwen in de Sint Pieter in Rome, en als de bevriende priester die ons zou trouwen – die we natuurlijk ‘oom’ noemden – niet opeens was overleden, was dat nog gebeurd ook.
Zelfs het willen ontkomen aan de regels van dat geloof, resulteerde in het tegenovergestelde: hoe kon je in godsnaam op een jongensschool anders in contact met meisjes komen dan op het plaatselijk kerkkoor te gaan? Achteraf heb ik vaak moeten denken aan de dichtregels van Levi  Weemoedt ‘Uit prille borstjes werd zo bovenaards gezongen / dat ik geen broeksknoop heb, of hij is wel gesprongen.’ Dus geen religieuze drijfveren hoor!
Maar die catechismus…. Ik zie de kaft nog voor me: met een zwart-wit foto (dacht ik toen!) van Christus op de voorkant.

En later?
De jezuïeten natuurlijk. Mooie tijd. Ik heb achteraf grote waardering voor die mannen, het waren intellectuelen pur sang, met twee of drie doctoralen voor de klas, gepromoveerden ook.
Het motto van de orde Ad Majorem Dei Gloriam (ter meerdere glorie van god) werd ons al de eerste les geleerd. Voortaan dienden wij boven ieder proefwerk éérst AMDG te schrijven. Een onvoldoende halen was dan meteen een belediging voor Hem-van-hierboven. Da’s typisch jezuïtisch.  ‘Mannen waren het, maar aardige mannen’ zou Nescio zeggen. Tenminste voor mij.
Een mooie schooltijd, ik wilde daar wel blijven en ik ben het onderwijs ingegaan. Drie doctoralen ja. En gepromoveerd. Niet meer eenduidig door het AMDG, maar waar die bewuste D in mijn leven voor heeft gestaan, is nogal wisselend geweest. Met bewijsdrang of perfectionisme heeft dat overigens niets te maken gehad. Net als eigenwijsheid beschouw ik die als domme zonden: het antieke gnoti seauton, ken u zelve, (de samenvatting van de antieke religie) onderschrijf ik zeer.

Een zonde?
Ja, een zonde. Eigenwijsheid gaat in tegen alles waar ik voor sta. Begrijp me goed, de mildheid heeft het niet overgenomen (verre van dat), maar torenhoge ego’s zijn bijna altijd de oorzaak van veel ellende. Gelukkig komen ze vaak snel ten val (en gelukkig vaak ook hard).

Heb je de zin elders gevonden?
Ja, maar niet bij ‘n andere religie. Het geloof is van me afgegleden als een oude jas en opeens stond ik in de kou. Rituelen houd ik overigens wel in ere. De Heilige Rita roep ik om de zoveel jaren aan als het weer eens is misgegaan in mijn leven; ik geloof wel dat ze aan mijn kant staat. Ook praat ik af en toe met mijn moeder die al bijna 20 jaar dood is. De voor mij mooiste dichtregel van Ida Gerhardt luidt ‘er is een weten van elkaar, dat tijd en afstand overwint.’ Als ik wat tegen haar zeg, luistert ze, en andersom.
Maar nee, een ander geloof zou ik als ontrouw beschouwen, erger nog als een soort negatie van het voorafgaande katholicisme.

Maar heb je de zin gevonden?
Ja, na lange omzwervingen, na vele lessen denk ik. Zoals al die monniken vroeger liepen tijdens het overdenken; je ziet in oude abdijen de paden daarvan nog, dat zijn labyrinten. Een doolhof is een kermisattractie, een labyrint kent een uitweg als je het pad maar blijft volgen, ook al gaat die van links naar rechts en weer naar links en zelfs weer terug. Het afwegen, bezinnen, opnieuw formuleren en soms tot een nieuwe mening komen gaat nooit in één rechte lijn. Leven gaat in schokken.
De jas is weliswaar al jaren uit, maar ik was dit jaar nog wel een week met leerlingen in Taizé om te luisteren naar de stem in jezelf. Veel wandelen, veel niets doen. Het niets doen wordt zo onderschat. Als ik gepensioneerd ben, ga ik niets doen. Niet iets niet doen, maar niets doen: dat  levert per saldo het meeste op in je leven, de mogelijkheid tot nadenken voorop.

We waren bij de zin gebleven.
Ja, die verdomde zin. Nou als dé zin in het leven bestond, zou ik hem proberen te ontlopen. En bestrijden uit alle macht, en niet alleen uit een puberale recalcitrantie!
Ik las net naar aanleiding van de oudejaarsconference van Claudia de Breij dat ze had gezegd ’leuk hè dat het demonstraties weer terug is?’ Ik ben het daar zó mee eens! De wereld lijkt verzadigd, zelfs vergeven van onverschilligheid en ja-knikkers. Volgens Ilja Pfeijffer is die onverschilligheid onze grootste bananenschil: wat práchtig gezegd.
Ik had een rector die in het managers-jargon zei dat wrijving glans opleverde. God, wat had ik een hekel aan dat mens, vooral omdat ze zich juist omringde met ja-knikkers. Alle neuzen dezelfde kant op en dat soort praat. Diversiteit is rijkdom. En dé zin is er niet. En daar ben ik reuze blij om. Zin is voor iedereen anders, en wat is het een verrijking van je leven als je dat eenmaal aanvaardt.

Wordt je antwoord een cliffhanger?
Nee, maar ik aarzel om het te geven. Omdat ieder mens anders is, is de invulling in zingeving in humanistisch perspectief anders. De kapelaan had het vroeger al over talenten, Aristoteles had het over kardinale deugden, die later weer door de katholieke kerk zijn omgevormd tot de zeven deugden. Van deze vier – prudentia, iustitia, fortitudo en temperantia – staan voor mij de eerste en de derde bovenaan. Die tweede, de rechtvaardigheid, vind ik moeilijk, al trekt het maathouden met het maathouden me wel.
De stoïcijn Epictetus leert ons ‘geef me de moed te accepteren wat niet in mijn vermogen ligt, de kracht om alles te doen wat in mijn vermogen ligt en de wijsheid tussen die twee onderscheid te maken.’ Wijsheid en moed: daar draait het om.

Er is toch een verschil tussen een levensles en dé zin?
Ja natuurlijk, ik draai er inderdaad enigszins omheen. Op mijn napelslijst (vertaling van bucketlist) staat alleen maar: dronken worden. Het liefste stomdronken. Baudelaire dichtte het al:  Il faut être toujours ivre. ( … ) Mais de quoi? De vin, de poésie, de vertu, à votre guise. Mais enivrez-vous. Het maakt dus niet uit hóe je dronken wordt, of het is door wijn, door poëzie of door deugdzaamheid, als je je maar laaft aan datgene waar je voor staat, aan verschilligheid, aan passie, aan keuzes.

De zin is dus groots en meeslepend te leven?
Nee zeg, alsjeblieft niet. Als we dat allemaal zouden proberen, zouden we allemaal kleine Baudetjes worden. God bespaar ons! Ook een klein, hoekig en morsig leven, een met vallen-en-opstaan, een van links en rechts, maar wel een met de lat hoog, met schrammen en bulten en met vallen en weer opstaan stel ik boven een leven dat van een glijbaan afgaat. Ook filatelisten, heemkundigen en line-dancers (ik noem maar wat mensen op die in de ogen van velen een suffe invulling aan het leven geven) worden dronken. Zij die hierbij meewarig en vol dedain hun hoofd staan te schudden, staan aan de wal, als de bekende stuurlui.

Dus dronken worden?
Ja. Dé algemene zin is dronkenschap. Natuurlijk is dat antwoord wat ontwijkend omdat de inhoud voor iedereen anders is, maar als ik iets wens te verdedigen is het de variëteit: alle neuzen een totaal andere kant op aub! Mooi grafschrift.

En …. zelf een geslaagd leven?
Nou, nee … volgens dat criterium niet. Ik heb bijna een leven lang in het onderwijs gewerkt en daarin tot mijn spijt juist een homogeniteit als eenheidsworst nagestreefd; het is onvoorstelbaar hoe we nog steeds leerlingen die zó verschillend zijn allemaal dezelfde vakken laten volgen met dezelfde methoden en met dezelfde eisen op hetzelfde niveau.
Mijn conrector zei bij zijn afscheid: ‘ik heb zulke lélijke mèskes zulke móóie vrouwen zien worden’ (daarvoor zou hij nu een me-too’tje aan zijn broek krijgen): de groei ná die homogeniserende schooltijd als iedereen eindelijk zijn of haar passie mag kiezen, is zó mooi: ‘wijn, poëzie of deugdzaamheid.’

Spijt?
Ja, soms. Voortschrijdend inzicht heet dat. Dronken worden is de zin, zo simpel eigenlijk.
Maar helaas, ook  dronkenschappen gaan over: net als ‘wij zijn op aarde om God te dienen en om hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn’ reiken ze nooit ver genoeg. En na iedere stevige dronkenschap volgt een  huizenhoge kater (daarom is het ook zo oneerlijk dat we doodgaan).

Dus op mijn crematie later liever geen koffie met cake, veel liever een luidkeels ‘proost!’ En dat dan tot vér na sluitingstijd.

Je weet nog niet half hoeveel – 2

 

AMSTERDAM

Anna heeft Robin nooit meer teruggezien, nooit. Dat had ze ook niet verwacht. Wel heeft ze kussens nat gehuild en nachten getreurd, brieven vol geschreven en prullenmanden vol gesnotterd, maar dat mocht natuurlijk allemaal niet baten. Het leven laat zich niet door verdriet sturen.

De laarsjes die ze in volle wanhoop radeloos indertijd in haar maat op internet had gekocht, staan als relicten uit een gelukkiger tijd onaangeraakt op haar kast; soms torenen ze sarcastisch boven haar eigen schoenen en laarsjes uit, soms verbeelden ze een verstild bolwerk van geluk. De enige foto die ze van Anna heeft, hangt scheef en vergeeld in de badkamer tegen de spiegel aan, ´s ochtends ter begroeting van de dag en ´s avonds weer ter afsluiting; langzaam vervagen de contouren erop. Soms praat ze er tegen, tegen haar, niet altijd even vrolijk, soms zelfs afstandelijk. Het zilveren januskopje dat ze van haar gekregen had, heeft ze toch maar opgeborgen, dat bleek haar uiteindelijk toch te metaforisch voor het geheel waarin niets was wat het leek. Alleen de liefde was echt.

In haar beleving raakte hun relatie ooit aan de perfectie en kan een eventuele hereniging tussen hen toch nooit meer aan die hoge verwachtingen die dan zouden ontstaan, voldoen. Dat die twee overtuigingen met elkaar in tegenspraak zijn, weet ze wel, maar het voelt nou eenmaal zo voor haar. Het risico van wéér zo diep te zinken, weer de bodem van het gevoel te naderen, durft ze niet te nemen, ze beschermt zich. God, wat hield ze toch van haar. Eéns, maar nooit meer.

Ze weet zelf niet waarom, nu nog steeds niet. Misschien omdat Anna het was en omdat zij het was. Klaar. Een uitspraak van Montaigne ja. Golden days before they end, zingt Roy Orbison. Ik heb een vrouw bemind die wel een tweede Troje zou verdienen, dat dicht de dichter Rawie. Anderen zeggen het veel mooier dan zij dat kan, vindt ze. Haar verslag ‘Je weet nog niet half hoeveel’ leest ze af en toe over. Eén uitgever durfde het aan, maar hij had ongelijk gekregen: meer dan negentig exemplaren waren er niet van verkocht. Bij de presentatie van het boek moest ze huilen, vriendinnen troostten haar.

Zij trekt niet ten strijde, ook niet literair, al is Anna vele oorlogen meer waard dan die Helena die zich door Paris liet schaken. Geen tweede Troje. Al zou ze zeven keer de wereld willen rondgaan voor haar. Zeven maal om de aarde gaan, zeven maal, om met zijn tweeën te staan. De spierpijn van het geluk trekt door heel haar lijf heem als ze terugdenkt aan die tijd. Soms, heel soms zoekt ze nog weleens op internet naar sporen van haar, maar echt speuren kun je het niet noemen: surfen, scheren over haar naam, zijn naam, hun namen, Rome, Amalfi, meer is het niet. Anna is weg, voorgoed. Voorbij, voorbij, voorgoed voorbij. Als een grafschrift.

Maar kom op zeg. Het leven heeft zich herpakt, zij heeft zich herpakt. Van lijden naar leiden werd het motto. Ze is weer gaan lesgeven, ze beziet de dingen anders dan voorheen, dus in zoverre heeft Anna veel nagelaten. Ze doet de was, ze kookt, ze strijkt, ze schaakt en ze fietst. Ze droomt en ze drinkt, ze bidt en ze vloekt, ze reist en komt weer thuis. Wat wil een mens nog meer? Op het menu stáán nou eenmaal gerechten, het leven dient zich niet à la carte aan, zo weet ze. Het was in haar geval een verrassingsmenu.

’s Ochtends opent ze het raam en laat ze het leven binnen. Niemand kan zich beter wensen dan een Amsterdamse te zijn, en verdomd: dat is waar, zo weet ze. Haar BV-Ik heeft zich opgericht. Als je ouder wordt, komt weliswaar automatisch het verleden steeds dichterbij, maar ze wil nog de toekomst in, ze is de vijftig immers nog niet gepasseerd. Nog láng niet.

Verliefd is ze daarna ook niet meer geweest; wel stelde een nieuwe collega die economie gaf belang in haar, is er ook wel op een druilerige donderdagavond een voorzichtige date geweest, maar ze kreeg letterlijk vooral jeuk van zijn zelfvoldaanheid. Kees heette hij, een aardige man hoor, leerlingen lopen met hem weg. Misschien wel tien keer kwam de uitdrukking ‘en klaar is Kees’ ter sprake. Ze kreeg daar een fantasie bij terwijl hij oeverloos praatte over zijn vorige relatie, en deinsde terug. Toen hij ook nog zijn spaghetti ging snijden en zijn telefoon als een soort proletenbestek naast zijn bord legde, was de maat eigenlijk al vol. Kees…, meer een bevel dan een naam.

Oudere mannen zijn niet haar ding. De charme van de jeugd trekt haar te veel; dat joi de vivre, dat gevoel dat de wereld staat te wachten, ja staat te springen op je, dat jij het stuurwiel niet alleen in handen hebt, maar zelf bént, dat egocentrische ook, de overtuiging dat er nog een zee aan tijd vóór je is die nooit maar dan ook nóóit zal opgaan, april in plaats van november, groei & bloei voor afsterven, optrekken in plaats van afremmen, oriëntatie in plaats van bezinning, sprankelen en bruisen voor sudderen en het eeuwige stofwisselen. Dat het mooiste nog moet komen…

Misschien is ze uiteindelijk wel het meeste verliefd op haar leerlingen.

Op studiereis gaat ze nog wel, afgelopen jaar bijvoorbeeld weer naar Hissarlik (waar ooit het oude Troje lag en Schliemann heeft gegraven op zoek naar de Homerische stad, zo vertelt ze haar leerlingen jaarlijks).

Iemand als Anna is ze dus ook op reis niet meer tegen-gekomen. Komt ze ook nooit meer tegen, dat weet ze. Zeker. Vast en zeker, zegt Hannah.

Aan de zus Eve heeft ze ook nog veel gedacht; misschien dat ze daarom niet veel meer aan filosofie gedaan heeft, zeker niet sinds ze van Schopenhauer Daher werden die Meisten, wenn sie am Ende zurückblicken, finden, dass sie ihr ganzes Leben hindurch ad interim gelebt haben gelezen had. Dat kwam haar zó dicht bij, dat raakte haar zó in de ziel, dat het haar compleet beangstigde. Bot-op-bot, recht naar de ziel. De term ‘een leven ad interim’ is haar sindsdien een spookbeeld, het begin kende ze namelijk al, het einde nog niet.

Enige tijd stortte ze zich op genoegens, marineerde ze zich in een quasi welzijn. In plaats van ‘tijd is geld’ leefde ze enige tijd het leven van ‘tijd is genot’. En ja, ze weet het: geluk is het genot van de wijze en genot het geluk van de domme. Heeft vast ook een of andere filosoof gezegd, ze zeggen zo veel. Well-nes en yoga, meditatie en keihard sporten bleken tussenfasen die even verlossing brachten.

Naar de mevrouw-aan-de-gracht is ze nooit meer geweest. Laatst is ze haar wel tegengekomen in het concertgebouw, zo maar opeens stond ze daar, nog steeds even breed. Heel professioneel had die toen even gewacht tot Robin als eerste zou groeten. Dat deed ze niet, dus walste ze haar voorbij, een beetje nuffig. Wel slim.

Hannah is uiteraard nog steeds de grote hartsvriendin, de  soulmate. Ik kan dat natuurlijk verder gaan uitleggen, maar de perfecte samenvatting ligt al in dat ene woord.

Tot zover nu, want dit alles zou tot voor kort zo geschreven kunnen zijn. Sindsdien heeft zich iets voorgedaan wat alles op een compleet ander spoor zet, in een ander daglicht ook. Alles, dus ook haar relatie tot An (als noemt ze die tot in haar dromen nog steeds Anna, het palindroom dat de gedroomde wederzijdsheid zo vertegenwoordigt).

Ik ga u er meer over vertellen, eerlijk en open. Maar let op. In het eerste verhaal vertelde ze dat een proeve van haar dissertatie over de gebeurtenissen op 10 oktober 1582 in haar bureaula lag. De werkelijkheid is dat die datum nooit bestaan heeft. Paus Gregorius stelde indertijd een nieuwe kalender in en bepaalde dat om de seizoenen weer gelijk te laten lopen met de kalender 5 oktober 1582 meteen gevolgd zou worden door 15 oktober. Tien dagen in de wereld-geschiedenis bestaan dus gewoonweg niet. Vindt Robin wel stoer; er waren wel eerder pausen die zonder blikken of blozen individuen hun leven ontnomen, maar de hele mensheid tien dagen ontnemen is wel even andere koek. De waarheid is wel dat haar fictieve promotie dus over het niets gaat. Bluf of dikdoenerij? Nee, ik leg het later uit. Maar nu nog niet.

Ik zeg u dit ook nu weer als waarschuwing. Niets is wat het lijkt, alles is weliswaar weer verzonnen, maar niets is bedacht.

U herinnert zich ongetwijfeld dat ze graag fietst, op een Italiaanse Bianchi in zeegroene kleuren (‘celeste’). Dagelijks rijdt ze in Amsterdam over de grachten, vaak ook langs de Amstel, de polder in, de Ronde Hoep bij voorkeur, vaak de andere kant op naar de duinen. Soms met jonge jongens mee, soms haakt ze bij oudere mannen aan (‘in iedere wielrenner klopt het hart van een jongen’), maar bijna nooit kan ze ze bijhouden. Als zij zien dat een vrouw aanklampt, geven ze van nature extra gas, boys will be boys. Van vrouwenclubjes houdt ze niet: er moet wel gescholden worden tijdens het rijden en het liefst ook gevloekt: rrrrrijen! De duinen bij Schoorl vormen zo´n beetje haar grens. Is toch uit-en-thuis een dikke 130 kilometer.

Vorige maand reed ze op haar Bianchi de Elandsgracht op, rechts vanaf de Prinsengracht. Links zag ze, waar eerst water was geweest, de beelden van de Jordanese trots staan, helden van haar ouders (Tante Leen, Johnny Meijer, Johnny Jordaan). Even lette ze niet op, rechts keek een uitparkerende automobilist niet uit en schepte haar. Ze viel. Verwondingen had ze niet, maar de fiets was wel beschadigd: de voorvork was verbogen, beide wielen hadden een flinke slag. De bestuurder trok wit weg en uitte stotterend en geschrokken vele verontschuldigingen, hielp haar overeind, kalmeerde haar (en zij hem); hij zette haar fiets bij hem thuis binnen – zijn vrouw gaf hem direct op haar beste Amsterdams op zijn falie – en bood vol schuldgevoel aan haar ergens af te zetten. Ze wilde bewegen, haar spieren even belasten en sloeg dus het aanbod af en zei wandelend verder te willen gaan.

Even verderop aan de rechterkant was Veilinghuis De Eland, waar ze vroeger al weleens bij toeval verzeild geraakt was. Er was toen al veel antiek en veel tweedehands rommel, en het verschil tussen die twee was destijds al moeilijk en soms gewoon helemaal niet te zien. Schilderijtjes werden er geveild voor tien, twintig, dertig euro, voor minder soms. Rommel. Kasten en stoelen waar men van af wilde, bedden, nachtkastjes, matrassen zelfs. Ze stapte naar binnen – ze wist zelf ook niet waarom – en belandde in een veiling van (weer) prullaria.

Het zaaltje met een lage zoldering was voor driekwart gevuld, een handjevol handige handelaren (die er ook zo uitzagen) bood quasi ongeïnteresseerd en zelfs verveeld tegen elkaar op. Het spel was boeiender dan het aangebodene. Soms ging de prijs maar met één euro tegelijk omhoog, een enkele keer haalde een kavel de minimumprijs niet eens, al sloofde de veilingmeester zich nog zo uit. Een seconde vóór het ‘éénmaal, andermaal, verkocht!’ bromde soms nog iemand tergend langzaam een prijs, een ietsjes hoger bod. Zelfs de veilingmeester leek soms teleurgesteld. Ze zag dat gedoe een tijdje aan en stond weer op. Wat doelloos dwaalde ze rond achter in het tweede deel van het gebouw waar kasten, tafels, hele slaapkamers stonden opgesteld, tot opeens een groot schilderij, wel van anderhalf bij twee meter, haar aandacht trok. Het stond voor een kwart verscholen achter een staande empire-spiegel. Het was een stadsgezicht, het beeldde Den Haag uit waarschijnlijk, maar belangrijker: volgens Robin was het er absoluut een uit de Haagse impressionistenschool. De te verwachten opbrengst lag tussen de honderdvijftig en tweehonderd euro, zo las ze, belachelijk weinig voor zo’n doek in olieverf, maar ook weer veel voor zo’n immens groot doek (want waar laat je het?). Het was overduidelijk een vroeg jeugdwerk, alle kenmerken van de beginnende artiest die zijn eigen stijl nog niet leidend of dominant had gemaakt, waren aanwezig. Het was een soort jeugdsymfonie (ooit had een klasgenote haar verteld dat je moest beginnen met de eerste symfonieën van bijvoorbeeld Beethoven of met de pianoconcerten van Chopin: die waren nog niet geëvolueerd, nog zoekend, zelfs nog een beetje clichématig): alle technieken waren vertegenwoordigd, het was alsof de kunstenaar meer met overtuigen bezig was geweest dan met schilderen. Ze kende het Vlaamse gezegde ‘wat praat je veel, wat heb je te verbergen’. Dit schilderij fluisterde niet, het riep, het schreeuwde om een gebrek aan eigenheid te verbergen.

Wat haar het meest trof, was de signatuur rechtsonder, die luidde HJW.

En met het zien van die signatuur begint het.

 

WENEN

Robin heb ik nooit meer teruggezien, nooit. Gehuild heb ik niet, verdrietig ben ik wel heel lang geweest. Het went, maar het slijt niet. Haar ring draag ik nog. Dagelijks. Ik heb me aangewend minstens een paar keer per dag die zachtjes te draaien, altijd met de klok mee. Ik stel me zo voor dat ze mijn januskopje draagt. Dat ik haar verdriet heb gedaan, weet ik, maar soms lopen zaken nou eenmaal zo. De eerste maanden daarna ben ik rusteloos op zoek gedaan naar rust, toen Nibor geboren werd, dacht ik even die gevonden te hebben. Ik vergiste me.

Het gaat me nu redelijk goed, het gaat óns redelijk goed. Paul heeft promotie gemaakt, we hebben een stabiele relatie, een leuk huis, een kind, een toekomst. Maar er iets een deel van mijn hart onvervuld. Rusteloosheid is het symptoom.

( … )

Rijk was ik met geld. Ik kocht een ervaring en boekte een studiereis, met opzet niet in Italië, maar in Frankrijk, classicistische tuinarchitectuur leek me wel wat, een beetje door tuinen dwalen en arboreta bezoeken kwam me aantrekkelijk voor. Binnen een paar dagen werd ik door iemand van het bureau gebeld met de mededeling dat de cursus helaas overtekend was; heel jammer, maar de mevrouw aan de lijn beloofde me wel dat ik kon aansluiten bij een week Stoïcijnse filosofie, in Griekenland op het eiland Samos. Zou dat niet iets zijn? Ik vond het goed; een week vol slow-thinking leek me gepast.

 

AMSTERDAM

In haar studententijd studeerde Robin geschiedenis en kunst-geschiedenis tegelijk. Allemaal flauwekul dat je geen twee studies tegelijk kunt doen zei ze vaak, zeker twee zo dicht bij elkaar liggende en tegen elkaar aan schurende richtingen. Ze heeft genoeg oud-leerlingen die studeren en daarnaast een halve baan hebben en ook nog uren in de kroeg hangen zoals het hoort; als student.

Voor die tweede studie (die ze niet heeft afgemaakt, maar dat lag aan andere zaken) heeft ze zich een tijd lang verdiept in het impressionisme, vooral in het werk van Weissenbruch. De Haagse School was zeer in trek tijdens haar studietijd, nu iets minder (in financieel opzicht dan), maar werken van Maris, Mesdag en Mauve zijn nog zeer populair en worden soms voor een goede prijs aangeboden. Zelf heeft ze ooit een piepkleine Israëls gekocht. Ze heeft er een béétje, een heel klein beetje kijk op. Vindt ze zelf. Het einde van de negentiende eeuw trekt haar in velerlei opzichten, politiek, sociaal, cultureel. Madame Bovary en Eline Vere kon je zomaar op straat tegenkomen, de inktzwarte bladzijde in de wereldgeschiedenis moest nog opengeslagen worden, hoop en optimisme stonden vooraan in het denken van de mens. De wereldtentoonstelling van 1889 in Parijs was een loflied op het menselijk kunnen, een ode aan de mensheid, ja een aubade op de toekomst; de eeuwwisseling bleek later pas een waar breukvlak te zijn; schilders toverden, musici walsten, schrijvers penseelden, La Bohème van Puccini was als een voorloper van Friends. De wereld sprankelde met een elan zoals zich dat misschien alleen in de vroegrenaissance had voorgedaan. Het kon niet anders dan dat het dingen waren die voorbij zouden gaan, dat had Couperus al goed gezien. Misschien is dat ook de reden dat ze liever over de Prinsengracht fietst dan over welke andere ook, geloof ik: het fin de siècle is in haar ogen zoveel rijker dan die zo veel geroemde zeventiende eeuw.

Bij het ingaan van de veiling De Eland zag ze aan de overkant aan de Prinsengracht, boven waar eerst het weekblad De Linie had gezeten, nog een mooie Jugendstill erker waarin een vrouw verstild zat.

Werken van Weissenbruch worden heden ten dage bij kunsthandelaren minder aangeboden, om de een of andere reden heeft hij de golfbeweging van de mode altijd weerstaan en is hij tijdloos gebleken. Desalniettemin betaal je al snel dertigduizend euro voor een groot schilderij (ja, ook in de kunstwereld wordt soms heel gewoon met vierkante centimeters gemeten). Deze Weissenbruch nu heette voluit Johan Hendrik en onder die naam heeft hij misschien ook even geschilderd, maar al heel snel had hij het wel erg doorzichtige pseudoniem Hendrik Johan heeft aangenomen. Al zijn werken zijn voor zover bekend zonder uitzondering gesigneerd met HJW.

De lijst was beschadigd, het doek zelf verkeerde op een wat bleke waas in het midden na, in redelijke staat (vond ze). Het stelde een stadsgezicht voor. Den Haag vast. Het doek, met een zware classicistische lijst eromheen, was gesigneerd met JHW, niet met HJW. Op het kaartje dat er aan hing, stond alleen

Olieverf schilderij, plm midden 19e eeuw, schilder onbekend (gezien signatuur niet van de bekende Hendrik Johan Weissenbruch). In de trant van de Haagse School. Doek iets beschadigt, lijst matig.
Verwachtte opbrengst 150-200 euro,
geen minimum.’

Verwachte met dubbel ’t’ en beschadigd met een ‘t’.

Ze besloot te wachten tot het doek onder de hamer zou komen. Er scheidden hen nog 32 kavels, bedacht ze en ze moest zelf lachen om die formulering. Ja, ze zou het kopen, het was een overdachte impulsaankoop. De opgewekte adrenaline was de motor van haar gedrag nu.

De schilderijen die volgden haalden veelal de honderd euro niet. Kooplui keken verveeld rond, ze kenden elkaar allemaal, als bij toeval leek nu de een, dan de ander te bieden. Alsof men het elkaar gunde, soms alsof juist niet. Ze had zich voorgenomen niet boven de tweehonderd, vooruit de tweehonderdvijftig euro te gaan, maar ze voelde wel dat die wil niet sterk was, zeker niet toen de magazijnjongens in grijze jassen met het doek kwamen aanlopen. Het werk werd op een standaard gezet en de afgebeelde personen leken haar uitnodigend aan te kijken. Ze zette meteen in. Stom. Ze had daar een dik half uur gezeten, niets geboden en nu opeens had ze de aandacht van iedereen getrokken met mijn bod. Enigen gingen er eens goed voor zitten, zo zag ze.

Het bieden ging snel met een tientje omhoog, een koopman in een ontzettend slecht zittend pak lachte haar vriendelijk toe, zijn kunstgebit te wit,  en bood opeens vijfentwintig euro extra om te ontregelen. De zak. Op tweehonderdvijfendertig leek de koop beklonken, maar men werd wakker. Er werd tot driehonderd geboden. Om duidelijk te maken dat er met haar niet te spotten zou zijn, bood ze driehonderdvijftig, heel kordaat, vond ze zelf.

Afijn, om een lang verhaal kort te houden, ze had het voor driehonderdtachtig. Handelaren lachten elkaar na afloop wat samenzweerderig toe. Boys will be boys. Toen ze zich realiseerde dat het maar liefst honderdtachtig euro boven het gestelde maximum was, bedacht ze zich nog dat er óók nog  veilingkosten bijkwamen.

Toch was ze blij, voelde ze opwinding., hoge hartslag.

De dag erop heeft ze het schilderij opgehaald en naar een bevriende restaurateur laten brengen die het ergste vuil er vanaf gehaald heeft. Thuis vond ze er met moeite een geschikte plek voor. Daar heeft het twee weken gehangen totdat ze in Baarn een kunsthandelaar had gevonden die het kwam taxeren.

Vijfenveertig duizend euro!

Het bleek een jeugdwerk van Hendrik Johan te zijn, zeer, zeer zeldzaam. Met droge ogen: vijf-en-veertig-duizend. De garantie dat ze dat bedrag er ook daadwerkelijk voor zou krijgen, gaf hij uiteraard niet, maar op de veiling in het Gooi, in een zaaltje vol blauwe blazers en parelkettingen, deed het enige maanden later inderdaad tweeënveertigduizend euro. Netto. Ze was voor haar doen rijk. Gelaten nam ze er afscheid van.

De koper zei haar later hautain dat hij het ‘dingetje’ ook wel voor vijftigduizend had willen kopen, ze antwoordde hem nonchalant dat het ‘doekje’ van haar ook voor twintigduizend weg had gemogen. Gooise bal.

In een winkel vol racefietsen waar ze me als een klein kind in een volle speelgoedwinkel voelde, twijfelde ze lange tijd; zou ze, nu het kon, die ene statige lichtblauwe De Rosa of die andere, echt prachtige parelmoeren Pinarello kopen? Een prinses! Of een rode Battaglin? Minutenlang bleef ze geobsedeerd voor een hagelwitte Fausto Coppi staan (en herinnerde zich het verhaal van de dame-in-het-wit), maar bleef uiteindelijk heel tuttig haar Bianchi trouw. Ze kon het geld gewoon niet uitgeven. Heeft ze thuis nooit geleerd.

Rijk was ze met geld dat ze niet kon uitgeven.

Liever kocht ze een ervaring en ze boekte een studiereis, met opzet niet naar Italië, maar naar Turkije.

Na twee weken werd ze gebeld door het organiserende bureau met de mededeling dat de cursus overtekend was. Ze kon wel aanschuiven bij een week Stoïcijnse filosofie, op Sicilië, op het schiereiland Ortigia, bij Syracuse.

Ze stemde gelaten toe; zeven dagen lang verlangzamen trok haar ook wel.

Ingezonden essay

Jaarlijks schrijft de KHMW samen met NRC in april een essaywedstrijd uit over uiteenlopende actuele vraagstukken. In 2019 is het onderwerp: Welke gevolgen kan de ontdekking van buitenaards leven hebben voor de mensheid?

Welke gevolgen
kan de ontdekking van buitenaards leven hebben voor de mensheid?

– een essay geschreven door Jan Verweij –

Er zijn oneliners die voor altijd in ons collectief geheugen gegrift staan: op 14 december 2003 maakte Paul Bremer op een persconferentie in Bagdad de arrestatie van Saddam bekend met de woorden Ladies and gentlemen, we got him. In ons onverwoestbare geloof in de vooruitgang van de wetenschap gaan we er impliciet vanuit dat er ooit een wetenschapper opgewonden in de media zal verschijnen met de mededeling dat we vanaf nu alles, ja álles weten. Het Ladies and gentlemen … zal overal te horen en te zien zijn. Mensen zullen in blijdschap nu de laatste raadsels van ons leven opgelost zijn de straten oprennen, Museumplein en Times Square zullen volstromen, telefoonlijnen overbezet raken en politici zich hees becommentariëren omdat er geen enkele twijfel meer hoeft te bestaan en het pad der zekerheid voor ons open ligt: alle codes gebroken ofwel god voorgoed gevangen genomen. Precies dezelfde woorden die Bremer ooit bezigde, zullen gebruikt worden om het demasqué van de almachtige van weleer te bezegelen: …we got him!
            Of dit sciëntisme ooit bewaarheid zal worden, betwijfel ik toch. Onze trots dat de gekende wereld de afgelopen eeuwen met reuzensprongen is gegroeid en zoveel terrein op de religie heeft gewonnen – sinds eind vorig jaar zijn in ons land de mensen die zichzelf tot een religieuze stroming rekenen, in de minderheid -, zal bij bewijs van buitenaards leven in mijn ogen een nederlaag gaan lijden die zijn weerga niet kent.
Ooit was het anders, ooit was het leven overzichtelijk. Nog minder dan tweeduizend jaar geleden was er een orde gegeven door de goden, was de kosmos statisch en de aarde het middelpunt. Goden verklaarden in mythen alles, soms met verhalen die weliswaar erg onwaarschijnlijk waren, maar ach, wie maalde daarom? Zo was Heracles een buitenechtelijk kind van Zeus; diens vrouw Hera haatte het kind daarom, maar toen Athene het kind bij Hera bracht, wist ze niet wie hij was en gaf hem uit medelijden de borst. Deze nu zoog zo onstuimig dat hij haar pijn deed en zij hem van zich af duwde, waardoor haar melk de ruimte in spoot en de Melkweg ontstond. Kijk, zo’n verhaal geeft duidelijkheid.
Ook toen die orde vervangen werd door het christendom, het Woord nota bene opeens vlees werd en de mens zichzelf tot de kroon der schepping benoemde, bleef het leven nog lang overzichtelijk. De eerste scheuren in onze gepantserde wereldbeschouwing verschenen pas toen negentien eeuwen later de evolutietheorie irritant roet in het eten gooide en de mens weer met zijn beide voeten tussen de dieren op een aarde zette die zelfs niet eens meer in het middelpunt van het zonnestelsel bleek te staan, zoals Copernicus drie eeuwen daarvoor al bewezen had. Vasthouden aan het oude geloof bleek dweilen met de kraan open toen in het begin van de vorige eeuw Hubble ontdekte dat een sterrenwolk genaamd Andromeda zelfs nog buiten de Melkweg moest liggen; het hek was helemaal van de dam toen óók nog eens bleek dat het heelal niet statisch was, maar razendsnel uitdijde.
En wat zou er gebeuren als er nu ook nog eens buitenaards leven blijkt te bestaan, dus niet alleen materie, maar ook leven, een …. nou ja, een soort mister Spock, een E.T. een…..  tja, ik weet niet hoe hij of zij (of het) eruit zal zien en of je überhaupt wel kunt spreken van een hij of zij (of het).
God geve dat Hij zich niet zal laten ontmaskeren….. toegegeven: hij heeft misschien de afgelopen eeuwen niet goed opgelet, Copernicus door de vingers laten glippen, even niet op het mannetje Darwin gepast, dat ventje Hubble aan zijn aandacht laten ontsnappen en ook Hitler, Stalin, Hoessein en Bin Laden ongezien laten binnenglippen, maar Hij zou Hij niet zijn als Hij niet weer de teugels aantrekt en een goddelijk rookgordijn aanlegt met een grandeur zoals Hij ooit Mozes om de tuin leidde, daar bovenop die berg. Anders zie ik het heel somber in. We leven immers in een wereld waarin al miljoenen jaren alles gericht is op ongelijkheid, op overrompelen, op overwinnen en dan op verder overheersen. The survival of the fittest is niet inclusief de mensheid, het omvat ook het individu. De geschiedenis is één lange aaneenschakeling van menselijk leed aangedaan om in de worsteling de bovenliggende partij te willen zijn. Het achterstellen op basis van geslacht, afkomst, seksuele voorkeur of ras is nog onverminderd aan de orde van de dag. De mensheid verbroederde niet, zij individualiseerde zonder tegenkracht op zo’n wijze dat ‘versplinterde’ een betere formulering is. Dankzij onder andere de VN en de EU is er in de vorige eeuw een wankele balans gekomen en is er een dun en broos laagje vernis aangebracht op onze beschaving en leven wij in Nederland nu al vierenzeventig jaar in vrede, iets wat in de onze hele geschiedenis niet eerder voorkwam. Wat zou er dus gebeuren bij het verschijnen van een in veler ogen nieuwe macht aan de horizon, een allesverscheurende offensieve nieuwe opponent? Ik hoor Trump cum suis al snuivend ronken, maar ik wil er eigenlijk niet eens aan dénken.
Zou het eigenlijk mogelijk zijn, zou er werkelijk buitenaards leven kúnnen zijn? Onze zon is er één van de ongeveer honderd miljard sterren in de Melkweg, die weer hoort bij een groep van andere sterrenstelsels en er zijn nu al zo’n honderd miljard verschillende sterrenstelsel bekend. Of tweehonderd, wat maakt het eigenlijk nog uit. Hoe groot is de kans dan dat er ergens leven bestaat? Geen natuurkundige is er nog te vinden die twijfelt aan het bestaan van een buitenaards leven. En natuurlijk komen ze, natúúrlijk. De vraag is niet óf, maar wanneer. En uiteraard niet met de raket van Kuifje of met een Spoetnik of een Apollo 18, maar ze kómen, want er is meer tussen hemel en aarde.
En wat dan? Onze hoop steeds meer te weten, het geheim van het leven te kunnen ontraadselen, het geloof op een zijspoor te kunnen zetten door rationeel en wetenschappelijk, koel en berekenend, ons zo af en toe met sprongen als er weer een Copernicus, Darwin, Hubble of Einstein opstaat in de vaart der volkeren te laten opstuwen, zal ineenstorten als een slecht gebakken pudding. Niet alleen omdat de kenbare wereld opeens gigantisch zal zijn toegenomen, maar omdat iedereen ervan overtuigd zal raken dat die niet meer kenbaar kán zijn: omdat het heelal steeds sneller uitdijt, zullen sterrenstelsels die we nu nog kunnen waarnemen in de nabije toekomst zó ver van ons verwijderd zijn, dat hun licht ons niet zal bereiken, dat we niet meer over een universum kunnen praten, maar wellicht over een multiversum, verborgen achter een voor ons ondoordringbaar gordijn. De moed zal ons in de schoenen zinken: geen trots van verovering of flow van overwinning vanwege al onze ó zo moderne technologieën, maar de witte vlag van overgave zal het symbool van de mensheid worden, wij zullen weer menselijk worden. Nu niet omdat wij de kroon der schepping zijn, niet omdat wij zo rationeel zijn of zogenaamd een vrije wil hebben, niet omdat wij voortdurend van natuur cultuur maken, maar omdat wij geloven. Geloof is het unieke kenmerk van de mens: geen énkel dier aanbidt namelijk. Bouwkunde, strategisch samenwerken, gereedschapsgebruik of empathie vind je nog wel bij dieren, maar het besef van sterfelijkheid en de kiem van twijfel over wat er achter de horizon ligt, is voorbehouden aan de mens. Geloof zal een nieuwe zekerheid bieden, namelijk dat we niet heer en meester zijn, dat de door ons gekende wereld ó zo klein is, en bescheidenheid, mildheid en de ‘zaligheid van de armen van geest’ zullen weer over ons neerdalen. Gemoedsrust door berusting. God heeft ons gewoon 14 miljard jaar maar wat laten aanrommelen (onverschillig of meedogenloos, kies maar) en nu we dénken dat we zelf bijna god zijn geworden, worden we weer eventjes op ons nummer gezet (welk nummer dat zal zijn, weet ik niet – nee, zeker geen rugnummer 14 -, het is er denk ik een met vele cijfers, met miljarden waarschijnlijk).
En wat dan? Schets ik een positieve ontwikkeling, heeft het geloof ons de afgelopen eeuwen uiteindelijk wel voordeel gebracht? Het antwoord op deze vraag lijkt afhankelijk van de vraag of het geloof er is vanwege een aanname van het bestaan van god, er is vanwege een evolutionaire voordeel of er is vanwege ons erkennen dat we niet alles kúnnen verklaren. Als we ervan uitgaan dat Hij-van-hierboven bestaat, is de vraag naar enig nut van geloof een absurde vraag. Als we ervan uitgaan dat het geloof ons evolutionair voordeel heeft gebracht omdat het ons compassie heeft aangeleerd en daarmee een liefde voor de naaste waardoor we in gemeenschappen gingen leven (wat evolutionair voordeel opleverde omdat het zorgde voor vreedzame beschavingen), gaan we denk ik toch wel een beetje te snel voorbij aan de verschrikkingen die in naam van het geloof óók nog dagelijks aangericht worden. Maar het erkennen dat we niet alles weten, dat er zaken zijn die we niet alleen niet weten maar ook niet kúnnen weten, dat het onkenbare, het onverklaarbare en het ondoordringbare meedogenloos aan het licht is gekomen, zal in mijn ogen de grootste winst zijn: de wereld zal zich weer eensgezind wenden tot de Onnoembare. Daarmee zullen de kunsten overigens ook weer floreren, muziek, literatuur en architectuur gaan nieuwe hoogtepunten kennen, tot alle uitingen daarvan onherroepelijk weer tot afsplitsingen zullen leiden (want veel zal de mensheid niet geleerd hebben). Maar dat is van later zorg, net als de vraag of de institutionalisering positief is. Al in vroeger tijden lag in Delphi de macht niet zozeer bij het orakel als wel bij de priesters, en dat is dan meteen het grote gevaar: de kerk. Laat in godsnaam dus de kerk zijn handen thuis houden, en ik bedoel dat niet alleen cynisch letterlijk, maar vooral figuurlijk: het geloof is te mooi om over te laten aan een kerk en zijn gezagsdragers. Laat overgave, deemoed en niet-weten vrij en onbekommerd weer de wereld heroveren en ieder naar eigen goeddunken dit beleven.
Mijn stelling is dan ook dat we bij het bewijs van buitenaards leven – ik stel voor dat (?) dan prompt de naam Amen te geven – de uitspraak Ladies and gentlemen, we got him nauwkeuriger te formuleren en één woordje aan deze oneliner ter verduidelijking toe te voegen: Ladies and gentlemen, we got Him … back!

 Jan Verweij,
1777 woorden.

 

Geachte heer Verweij,
Hartelijk dank voor uw inzending voor de essayprijsvraag van NRC en KHMW.U wordt eind augustus geïnformeerd over de uitslag. De prijsuitreiking, tevens debatavond, is op maandag 14 oktober a.s. om 20.00 uur in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam, waar alle inzenders van harte welkom zijn.